Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
12-2533 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank toetst ten onrechte ambtshalve aan artikel 21, derde lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO); geen bepaling van openbare orde. Nu de beroepsgronden zich ook niet richten tegen de voorwaarden in artikel 21, derde lid van de WAO heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet op grond van het beroepschrift uitspraak gedaan. Volgt vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Besluit genomen ter uitvoering van die uitspraak wordt op grond van artikel 6:19 van de Awb in hoger beroep meegenomen en ook vernietigd. In dit geval geen sprake van een gecombineerde maatman. Daarvan is volgens vaste jurisprudentie alleen sprake als een verzekerde voor uitval een combinatie van functies vervulde. Appellante heeft de functies van administratief medewerker en eindredacteur nooit gecombineerd. Raad doet wat de rechtbank had moeten doen en verklaard het beroep tegen het oorspronkelijke besluit ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/272
NJB 2014/1542

Uitspraak

12/2533 WAO, 14/516 WAO

Datum uitspraak: 18 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

24 april 2012, 10/2010 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. ing. D. Klazema hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend waaronder een reactie van 1 september 2011 op vragen van de rechtbank.

Het Uwv heeft een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen beslissing op bezwaar, en daaraan ten grondslag liggend arbeidskundig rapport, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klazema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft haar werkzaamheden als administratief medewerkster voor 37,1 uur per week op 8 maart 1993 gestaakt in verband met nierfunctiestoornissen. Na het volbrengen van de wachttijd is aan haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Zij heeft bij haar werkgever hervat in passend werk in een arbeidspatroon van overwegend 20 uur per week, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid die fluctueerde tussen de klassen 25 tot 35% en 80 tot 100%.

1.2. Op 1 november 2002 is appellante voor 18 uur per week in dienst getreden van de [bedrijf], als eindredacteur van het verenigingsblad “[naam]. Met ingang van 1 november 2006 is appellante 32 uur per week gaan werken. Zij heeft zich vervolgens per 1 maart 2007 ziek gemeld. Vanaf 16 april 2008 bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid 80 tot 100%.

1.3. Het Uwv heeft op verzoek van appellante bij besluit van 10 mei 2010 vastgesteld dat met ingang van 23 februari 2007 sprake is van een maatmanwisseling. Vanaf dat moment is de maatman de eindredacteur, werkzaam voor gemiddeld 32 uur per week. Het maatmanloon bedraagt op dat moment € 23,04 bruto per uur. Aan dit besluit ligt een rapport van een arbeidskundige van 28 april 2010 ten grondslag. Bij besluit van 31 mei 2010 heeft het Uwv meegedeeld dat in de periode van 16 april 2008 tot 1 maart 2009 de WAO-uitkering niet naar 80 tot 100% wordt uitbetaald, maar naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, fluctuerend tussen de klassen 25 tot 35% en 65 tot 80%, afhankelijk van het aantal door appellante gewerkte uren. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van

10 mei 2010 en 31 mei 2010, omdat zij van mening is dat ook rekening moet worden gehouden met de omvang van haar oorspronkelijke arbeid en het daarbij behorende maatmanloon. Het gewogen gemiddelde komt volgens haar berekeningen bij een 37,1 urige werkweek neer op een maatmanloon van € 22,17 (= ((32 x € 23,-) + (5,1 x € 17,1)) : 37,1). Bij beslissing op bezwaar van 21 oktober 2010 (besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het Uwv opdracht gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, gelast dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht vergoedt, maar het Uwv niet veroordeeld in de kosten van appellante in bezwaar en beroep. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het Uwv ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 21, derde lid, van de WAO. Van de omstandigheden waaronder een maatmanwisseling kan worden aangenomen is geen sprake.

3.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat wel wordt voldaan aan de voorwaarden voor een maatmanwisseling en dat in haar geval moet worden uitgegaan van een gecombineerde maatman. Verder kan zij zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank om het Uwv niet in de proceskosten in beroep te veroordelen.

4.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 1 juni 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het besluit van 1 juni 2012 (besluit 2) wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ambtshalve oordelend stelt de Raad vast dat de rechtbank ambtshalve heeft onderzocht of appellante heeft voldaan aan de voorwaarden voor een maatmanwisseling, gesteld in artikel 21, derde lid, van de WAO. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in een reactie van 1 september 2011 op vragen van de rechtbank heeft erkend dat ten onrechte toepassing is gegeven aan dit artikel. Het Uwv heeft in de bezwaarfase, bij het bestreden besluit, in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift en tijdens de zitting bij de rechtbank steeds het standpunt ingenomen dat op juiste wijze een maatmanwisseling is toegepast. Bij de erkenning dat ten onrechte een maatmanwisseling heeft plaatsgevonden, heeft het Uwv ook naar voren gebracht dat in de bezwaarfase al was onderkend dat niet voldaan was aan de voorwaarden voor een maatmanwisseling. Toen is besloten om het standpunt van de arbeidsdeskundige, zoals neergelegd in het rapport van 28 april 2010 te volgen, om niet ten nadele van appellante terug te komen op het besluit van 10 mei 2010.

5.2.

De Raad stelt vast het hier niet gaat om een bepaling van openbare orde. De beroepsgronden geven evenmin aanleiding voor een oordeel over de vraag of wel voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 21, derde lid, van de WAO. De rechtbank heeft daarom onder de gegeven omstandigheden in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb niet op de grondslag van het beroepschrift uitspraak gedaan. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Besluit 2 dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen komt ook voor vernietiging in aanmerking.

5.3.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat in de situatie van appellante geen sprake kan zijn van een gecombineerde maatman. Zoals in de door de rechtbank genoemde uitspraken van de Raad is neergelegd, is van een gecombineerde maatman alleen sprake als een verzekerde voor zijn uitval een combinatie van functies vervulde. Appellante heeft nooit de functies van administratief medewerker en van eindredacteur gecombineerd. Het beroep van appellante op dit punt slaagt niet.

6.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2010 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 1 juni 2012.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en

M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014.

(getekend) M.C. Bruining

(getekend) I.J. Penning

IvZ