Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
12-6666 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. De Raad is van oordeel dat de vastgestelde beperkingen zijn gebaseerd op zorgvuldig onderzoek en dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6666 WIA

Datum uitspraak: 9 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

2 november 2012, 12/2244 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.H. van Marwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Marwijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 7 september 2009 in verband met fysieke en psychische klachten uitgevallen vanuit haar functie van peuterleidster. Op 14 juli 2011 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante vanwege fysieke beperkingen aangewezen is op werk zonder zware en energetische belasting. Appellante dient in verband met de huisstofallergie bij voorkeur te werken in een schone werkomgeving. Vanwege verminderde psychische spankracht is appellante beperkt voor taken waarbij intensieve concentratie is vereist of waarin werkdruk/werktempo, deadlines, veelvuldige storingen/onderbrekingen of onvoorspelbare werksituaties voorkomen. Appellante is aangewezen op werk met afgebakende taken zonder intensieve klantcontacten, conflictsituaties of eindverantwoordelijkheid. Volgens de verzekeringsarts is er geen medische noodzaak voor een urenbeperking. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd die appellante geacht wordt te kunnen verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid is op basis daarvan vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van 28 oktober 2011 is vastgesteld dat appellante met ingang van 5 september 2011 geen recht heeft op een uitkering op de grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft meer beperkingen aangenomen in verband met nekklachten. Preventief zijn milde beperkingen aangenomen. Er liggen volgens de bezwaarverzekeringsarts geen objectieve en overtuigende feiten voor die ondersteunen dat meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen in verband met de longklachten, de nekklachten en de klachten van de rechter lichaamshelft. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat de aangenomen beperking voor stof, rook en gas en dampen volstaat. Appellante kan werken indien sprake is van de gebruikelijke hygiëne en fysische belasting. De bezwaarverzekeringsarts heeft de conclusie van de verzekeringsarts over de psychische beperkingen gevolgd. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich gebaseerd op lichamelijk en psychisch onderzoek en op schriftelijke en telefonische informatie van de huisarts. De FML is aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat ook na aanpassing van de FML de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante. De mate van arbeidsongeschiktheid is gehandhaafd op minder dan 35%. Bij besluit van 15 mei 2012 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 september 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 15 mei 2012 ongegrond verklaard, het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen onjuist heeft vastgesteld. In de door appellante overgelegde stukken heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan te nemen dat in de FML zwaardere beperkingen hadden moeten worden opgenomen. Voorts is geoordeeld dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van het arbeidskundige onderzoek. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante ten onrechte geschikt is geacht voor de geselecteerde functies.

3.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het vaststellen van de beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. Appellante wijst op haar klachten als gevolg van een traumatische en gecompliceerde bevalling in 2005. Appellante heeft pijn en ontstekingen aan de nieren in verband met een urinekatheter en last van haar voeten. Zij is voor deze klachten onder behandeling bij een gynaecoloog en een orthopeed. Appellante heeft daarnaast aanhoudende psychische klachten, waarvoor zij onder behandeling is geweest bij NOAGG. De ernst van deze klachten is volgens appellante onderschat, gelet op de twee zelfmoordpogingen die zij heeft gedaan. Appellante heeft gesteld dat de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en ter onderbouwing daarvan rapporten overgelegd van voormalig verzekeringsarts

dr. mr. drs. D.S. Rambocus.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Beoordeeld dient te worden of er aanleiding is te twijfelen aan juistheid van de vastgestelde beperkingen en of deze vaststelling is gebaseerd op een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundige onderzoek.

4.2.

De Raad verwerpt de stelling van appellante dat de bezwaarverzekeringsarts nadere medische informatie had moeten inwinnen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een brief van 8 maart 2012, in een e-mail van 27 maart 2012 en telefonisch informatie van de huisarts ontvangen. In deze informatie is vermeld dat in 1989 is geconstateerd dat appellante klachten van allergische astma heeft, maar dat daarover geen recente informatie aanwezig is. Appellante heeft sinds een aantal jaar voetklachten. Vermeld is dat de huisarts geen informatie heeft over de hand- en polsklachten. Voorts beschikte de bezwaarverzekeringsarts over de brief van 25 mei 2011 van de psychiater Gokoel, gericht aan de bedrijfsarts. De stelling van Rambocus dat de bezwaarverzekeringsarts niet beschikte over informatie over de psychische toestand, moet daarom worden verworpen.

4.3.

In verband met de klachten van de hand, pols, voeten, de mictieklachten en de medische behandelingen heeft de bezwaarverzekeringsarts beperkingen aangenomen, waarbij deze zich mede heeft gebaseerd op de informatie van de huisarts. Voorts zijn aanzienlijke beperkingen aangenomen in verband met de psychische klachten. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts en aanwezige dossierstukken leidt de Raad af dat naast de informatie van de huisarts, ook de brief van 25 mei 2011 van de psychiater door de bezwaarverzekeringsarts in de beoordeling is betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft rekening gehouden met de door appellante genoemde medische feiten en omstandigheden.

4.4.

In de nadere medische informatie die appellante in beroep heeft overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Wat betreft de overgelegde rapportages van 14 juli 2010 en 11 november 2010 van psychiater Gokoel en psycholoog Akyar, volgt de Raad het standpunt van het Uwv dat deze niet leiden tot twijfel aan de beperkingen, omdat deze geen betrekking hebben op de datum in geding. Deze stukken dateren van ongeveer 10 tot 14 maanden voor de datum in geding, terwijl de bezwaarverzekeringsarts rekening heeft gehouden met de brief van 25 mei 2011 van de psychiater en deze brief van slechts enkele maanden voor de datum in geding dateert. De door appellante overgelegde verwijzing van 5 september 2012 van de huisarts in verband met angstklachten, een verslag van 27 augustus 2012 van radiologisch onderzoek aan de nieren en het rapport van 20 september 2012 van een medewerker van NOAGG, geven evenmin aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, nu deze informatie dateert van geruime tijd na de datum in geding en geen informatie bevat die een ander licht werpt op situatie op de datum in geding, zoals deze door de bezwaarverzekeringsarts is beoordeeld. In hoger beroep is geen nadere medische informatie overgelegd.

4.5.

De stelling dat de ernst van de psychische klachten is onderschat, kan niet worden gevolgd. De bezwaarverzekeringsarts heeft meerdere beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen, en dit gemotiveerd aan de hand van zijn bevindingen. In het rapport van 20 september 2012 van NOAGG is aangegeven dat een laatste zelfmoordpoging in februari 2011 heeft plaatsgevonden en dat suïcidale gedachten aanwezig zijn, maar suïcidale plannen worden ontkend. Voorts is aannemelijk dat de bezwaarverzekeringsarts met de zelfmoordpogingen rekening heeft gehouden, nu deze ook al zijn vermeld in de brief van
25 mei 2011 van de psychiater.

4.6.

Appellante heeft gewezen op de conclusie van de psychiater dat geleidelijke werkhervatting niet haalbaar lijkt, gelet op het langdurige bestaan van lichamelijke en psychische klachten. De psychiater schat de prognose voor zowel de korte als de lange termijn ongunstig in, gelet op de somatische factoren die een blijvende stressor zijn. Deze conclusies brengen niet mee dat de onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld. Het onderzoek en de conclusies van de psychiater zijn bericht aan de bedrijfsarts en hebben ten doel de mogelijkheden van appellante en inspanningen van appellante en haar werkgever te beoordelen om (binnen 104 weken nadat appellante is uitgevallen) tot werkhervatting te komen. Het onderzoek en de conclusies zijn niet gericht op het beoordelen van de beperkingen voor het verrichten van gangbare arbeid na 104 weken ongeschiktheid van appellante voor haar werk. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de conclusies mede betrekking kunnen hebben op gangbare arbeid, zou dit niet tot een ander oordeel leiden, omdat in de informatie van de psychiater niet is aangegeven welke beperkingen aan werkhervatting in de weg staan en op welke gronden deze beperkingen zouden moeten worden aangenomen.

4.7.

De Raad kan Rambocus niet volgen in zijn stellingen dat uit de gezondheidssituatie kan worden afgeleid dat appellante niet belastbaar is voor arbeid en dat uit het medische beloop blijkt dat de klachten die appellante had, zijn verergerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een reactie aangegeven dat de psychische klachten rond de datum in geding stationair waren. De Raad ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen, gelet op de informatie van de psychiater en de constatering van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 10 december 2013 dat de bevindingen bij psychisch onderzoek niet afwijken van die van verzekeringsarts. Voorts kan het Uwv worden gevolgd in zijn betoog dat de stelling van Rambocus, anders dan de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, niet berust op bevindingen verkregen bij eigen onderzoek van appellante. Voor zover Rambocus heeft bedoeld dat de klachten van appellante na datum in geding zijn verergerd, ligt het op de weg van appellante om bij het Uwv een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid te doen. Een eventuele toename van de beperkingen na de datum in geding dient bij de onderhavige beoordeling buiten beschouwing te blijven.

4.8.

In het rapport van Rambocus is geconcludeerd dat geen juiste inschatting is gemaakt van de psychische toestand van appellante, omdat onjuiste diagnoses zijn gehanteerd. De hoofddiagnose moet depressieve stoornis zijn, terwijl de bezwaarverzekeringsarts posttraumatische stressstoornis (PTSS) als diagnose hanteert. Van belang is vast te stellen welke ziekte dominant is. Volgens Rambocus was de PTSS niet actueel en waren de actuele psychische klachten onderdeel van de depressie. In een reactie heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat in het kader van het Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium van belang is dàt er een stoornis is en minder van belang is welke stoornis er is. Appellante heeft een mix van psychische en lichamelijke klachten. Conform de verzekeringsgeneeskundige protocollen heeft de bezwaarverzekeringsarts eigen onderzoek gedaan en een weging gemaakt op basis van het gehele feitencomplex. Appellante voldoet niet aan de DSM-criteria voor depressieve stoornis. Zij voldoet deels aan de criteria voor PTSS. De aangenomen beperkingen in de rubrieken I en II komen volgens de bezwaarverzekeringsarts goed overeen met de mogelijke beperkingen voor stemmings- en angststoornissen. De Raad ziet noch in de wet- en regelgeving, noch in de genoemde protocollen of andere professionele standaarden aanknopingspunten om Rambocus te volgen in zijn betoog. Rambocus heeft, in tegenstelling tot de bezwaarverzekeringsarts, niet gerefereerd aan de bedoelde protocollen of standaarden ter ondersteuning van zijn betoog. Niet is betwist dat het onderzoek en de weging van de bezwaarverzekeringsarts daarmee in overeenstemming zijn. Voorts is het betoog van Rambocus niet verenigbaar met vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 29 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3629, op grond waarvan bij de vaststelling van de beperkingen voor het verrichten van arbeid niet beslissend wordt geacht of een bepaalde diagnose kan worden gesteld en, zo ja, welke diagnose. Er is geen aanleiding om een onderzoek door een deskundige te laten verrichten.

4.9.

Rambocus heeft gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts zelf geen onderzoek had mogen doen, maar had moeten volstaan met een beoordeling of de (primaire) verzekeringsarts zorgvuldig onderzoek heeft verricht en redelijkerwijs tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Deze stellingname is evenmin verenigbaar met vaste rechtspraak van de Raad. De Raad heeft in zijn uitspraak van CRvB 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3338 overwogen dat uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeit dat op het bezwaar dient te worden beslist met inachtneming van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden.

4.10.

Gelet op de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.9 is de Raad van oordeel dat de vastgestelde beperkingen zijn gebaseerd op zorgvuldig onderzoek en dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.

4.11.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante blijven. Appellante heeft deze conclusie niet bestreden, anders dan door te stellen dat de belasting in de functies de door haar voorgestane (extra) beperkingen overschrijdt. Nu er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen, behoeft deze stelling geen bespreking. Evenals de rechtbank concludeert de Raad dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat appellante ten onrechte geschikt is geacht voor de geselecteerde functies. Aannemelijk is dat appellante met haar beperkingen in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten.

4.12.

Terecht is vastgesteld dat appellante met ingang van 5 september 2011 geen recht heeft op uitkering. De aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) D. Heeremans

NK