Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
13-5586 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv en in de eerste rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5586, 13/5587, 13/5588, 13/5589 BESLU

Datum uitspraak: 16 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21a van de Beroepswet in verband met het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Partijen:

betrokkene

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft J.R. [B.] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2011.

Bij tussenuitspraak van 19 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8530) heeft de Raad het Uwv opgedragen het geconstateerde gebrek in de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2012 te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Het Uwv heeft vervolgens bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 juni 2013 het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Betrokkene heeft hierop het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de nabetaling en om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft zij verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedateerd 25 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2212) heeft de Raad het Uwv veroordeeld tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente en heeft hij het Uwv veroordeeld in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Verder heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder nummers 13/5586, 13/5587, 13/5588 en 13/5589 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn , als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarbij tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) als partij is aangemerkt.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. [K.S.], werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, bij brief van 6 januari 2014 toegezegd aan betrokkene een bedrag van € 1.500,- te zullen vergoeden als compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn van een jaar en ruim vier maanden in de eerste rechterlijke fase.

Namens het Uwv heeft mr. [E.] bij brief van 18 februari 2014 toegezegd een bedrag van € 3.500,- aan betrokkene te zullen vergoeden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Hierop heeft betrokkene bij brief van 15 april 2014 het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingetrokken, onder gelijktijdig verzoek aan de Raad om nog uitspraak te doen over de proceskosten betreffende alle bij de Raad bekende beroepsprocedures, waaronder de nummers 12/584 WAO en 12/6187 WAO.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

1.2. Het verzoek tot schadevergoeding is ingetrokken omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

1.3. Betrokkene heeft verzocht de Staat en het Uwv te veroordelen in de door haar gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad zal op dat verzoek beslissen met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb.

1.4. De Raad ziet geen reden om tot een veroordeling in de proceskosten te komen met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de intrekking van het verzoek om schadevergoeding geen proceshandeling is die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komt. Ook overigens is van proceshandelingen tijdens deze procedure die voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen, niet kunnen blijken.

1.5. Omtrent de proceskosten met betrekking tot de procedure met nummers 12/584 WAO en 12/6187 WAO heeft de Raad reeds beslist bij zijn uitspraak van 25 oktober 2013.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot toepassing van artikel 8:75 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) R.L. Rijnen

ew