Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
13-4972 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-loonaanvullingsuitkering (LAU) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank heeft terecht ambtshalve onderzocht of appellant procesbelang heeft in die zin dat het resultaat dat appellant nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijke betekenis kan hebben. Noch in de bezwaren tegen de FML noch in inkomenseis kan procesbelang gelegen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4972 WIA

Datum uitspraak: 18 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

1 augustus 2013, 12/3035 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Groot, rechtskundig adviseur, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een nader stuk ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 6 juni 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant na afloop van de wachttijd met ingang van 5 augustus 2011 recht heeft op een loongerelateerde uitkering (LGU) ingevolge de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 53,54%. Daarbij is medegedeeld dat de loongerelateerde uitkering zal eindigen op 2 juli 2012.

1.2. Bij besluit van 17 april 2012 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 2 juli 2012 recht heeft op een WGA-vervolguitkering, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

1.3. Het Uwv heeft bij besluit van 7 november 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 april 2012 gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant met ingang van 2 juli 2012 in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering (LAU) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen procesbelang (meer) heeft, omdat het slagen van de beroepsgronden van appellant geen feitelijke betekenis meer voor hem kan hebben.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld, omdat hij vindt dat het Uwv een verdergaande urenbeperking dient aan te nemen. Volgens appellant is het vaststellen van een verdergaande urenbeperking van belang bij een mogelijke herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid.

3.2.

Het Uwv heeft de aangevallen uitspraak onderschreven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht ambtshalve onderzocht of appellant procesbelang heeft in die zin dat het resultaat dat appellant nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijke betekenis kan hebben.

4.2.

In een situatie als deze, waarin met ingang van 2 juli 2012 de LAU (alsnog) gebaseerd is op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en waarin appellant niet uitdrukkelijk heeft betoogd duurzaam arbeidsongeschikt te zijn, leveren de bij appellant bestaande bezwaren tegen de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geen procesbelang op als bedoeld in overweging 4.2. Met het aanvechten van de FML kan appellant immers niet meer krijgen dan hij bij het bestreden besluit al toegekend heeft gekregen, noch wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid noch wat betreft de hoogte van zijn LAU.

4.3.

Gelet op de uitspraak van de Raad van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485, kan procesbelang nog gelegen zijn in het gevolg dat het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% heeft voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de LGU. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een LGU ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, dan geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft. In het geval van appellant betekent dat concreet dat, nu bij het bestreden besluit is vastgesteld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op 2 juli 2012 80 tot 100% bedraagt en die mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee maanden heeft geduurd, de inkomenseis voor appellant niet langer geldt. De inkomenseis gaat pas weer gelden 24 maanden na het moment waarop is vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen en minder dan 80% bedraagt. Dat betekent dat een procesbelang van appellant in deze zaak ook niet kan zijn gelegen in de inkomenseis.

5.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en H.C.P. Venema en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) H.J. Dekker

HD