Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
12-5353 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De rechtbank heeft he beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep een herhaling van de gronden. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel en maakt de hieraan ten grondslag liggende overwegingen tot de zijne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5353 WIA

Datum uitspraak: 18 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

24 augustus 2012, 12/1815 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M. Mauritz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A Put.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant heeft zich op 30 november 2009 ziek gemeld voor zijn werk als magazijnmedewerker met rug-, schouder- en psychische klachten. De aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is door het Uwv afgewezen bij besluit van 23 november 2011. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard met een besluit van 2 mei 2012 (bestreden besluit).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het medisch onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Het Uwv heeft de beschikbare medische informatie op inzichtelijke wijze in de beoordeling betrokken. Er is geen grond voor het oordeel dat de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts met betrekking tot het vaststellen van de beperkingen van appellant onvolledig of onjuist zijn. Appellant heeft geen medische verklaringen overgelegd die zijn standpunt, dat hij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen, onderbouwen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen ziet de rechtbank in wat appellant heeft aangevoerd geen grond voor twijfel aan de geschiktheid van de geduide functies. De signaleringen in de geduide functies zijn van een voldoende deugdelijke motivering voorzien.

3.

In hoger beroep benadrukt appellant opnieuw dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat is werkzaamheden te verrichten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat de gronden die in hoger beroep zijn aangevoerd een herhaling vormen van de gronden van het beroep. De rechtbank heeft deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet slagen. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel en maakt de hieraan ten grondslag liggende overwegingen tot de zijne. Appellant heeft niet aangegeven waarom, naar zijn mening, het oordeel van de rechtbank niet juist is. Evenmin heeft hij met nieuwe objectieve medische stukken zijn standpunt, dat hij meer beperkt is, ondersteund. Er is dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.P. Ketting

IvZ