Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
12-6837 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Beperkingen niet onderschat. Appellant leidt niet dusdanig aan agorafobie dat ten aanzien hiervan nadere beperkingen voor het verrichten van arbeid aangenomen moeten worden. Een verslaving aan alcohol is op zich niet als ziekte of gebrek aan te merken. De geduide functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6837 WIA

Datum uitspraak: 18 juli 2014.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

15 november 2012, 12/3057 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] destijds wonende te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.L. Timmermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Timmermans. Voor het Uwv is verschenen M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant heeft zich op 27 november 2009 ziek gemeld bij het Uwv vanwege, met name, psychische klachten. Hij genoot toen een werkloosheidsuitkering. Het Uwv heeft, bij besluit van 16 december 2011, geweigerd hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Bij besluit van 5 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 16 december 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. De verzekeringsartsen hebben alle aanwezige medische gegevens meegewogen in hun oordeel over de mogelijkheden van appellant. De rechtbank is er ook voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

3.

In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald wat hij al in bezwaar en beroep had aangevoerd. In het kader van een beroepsprocedure tegen een besluit van het Uwv op grond van de Ziektewet (ZW) om appellant per 8 februari 2010 hersteld te verklaren, is appellant, op verzoek van de rechtbank Breda, onderzocht door psychiater W. Eland. Op grond van de conclusies uit diens rapport van 29 juni 2011 heeft het Uwv besloten de ZW-uitkering van appellant per 8 februari 2010 ongewijzigd voort te zetten. Appellant heeft met name verwezen naar dit rapport van Eland, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen. Zo meent hij dat het Uwv ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij beperkt is op aandacht, concentratie en energie, dat zijn alcoholmisbruik tot beperkingen moet leiden, waaronder een urenbeperking, en dat ten onrechte niet wordt aangenomen dat hij lijdt aan agorafobie.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het rapport van Eland had betrekking op de gezondheidstoestand van appellant op de datum 8 februari 2010. Met betrekking tot die datum heeft Eland aangegeven dat appellant beperkt was met betrekking tot het opbrengen van aandacht en concentratie en op het gebied van energie. In de beschrijving van Eland van de toestand van appellant ten tijde van het onderzoek, juni 2011, spreekt deze over een normaal bewustzijn en een normale aandacht en concentratie. Ook verzekeringsarts R.G. Bekkering, die appellant onderzocht op

14 november 2011, geeft aan dat er geen duidelijke afwijkingen zijn vastgesteld aan het bewustzijn, de aandacht, de oriƫntatie en het waarnemen. Bezwaarverzekeringsarts

E.J.M. van Paridon heeft appellant onderzocht op 16 maart 2012 en kon zich, op deze terreinen, vinden in de conclusies van Bekkering. In de door appellant ingebrachte stukken is geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. In zijn rapport geeft Eland ook weer dat er bij appellant sprake is van elementen van paniekstoornis met agorafobie, terwijl zijn diagnose angststoornis NAO is. De bezwaarverzekeringsarts heeft zelf onderzoek gedaan naar het bestaan van agorafobie en is tot de conclusie gekomen dat van een specifieke angst in de zin van agorafobie niet kan worden gesproken en dat de diagnose angststoornis NAO meer past bij de ervaren klachten. Geoordeeld moet worden dat appellant niet dusdanig leidt aan agorafobie dat ten aanzien hiervan nadere beperkingen voor het verrichten van arbeid aangenomen moeten worden.

4.2.

De Raad heeft eerder geoordeeld, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0518, dat een verslaving aan alcohol op zich niet als ziekte of gebrek is aan te merken. Indien echter uit de verslaving gebreken voortvloeien dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling, brengt dit mee dat er wel sprake is van een ziekte of gebrek. In het geval van appellant is niet gebleken dat uit zijn alcoholgebruik beperkingen voortvloeien, waarbij in het midden kan blijven of sprake is van alcoholverslaving. Appellant werd op de datum in geding niet behandeld voor zijn overmatige alcoholgebruik en ook is niet gebleken dat hij op die datum meer beperkt was voor het verrichten van arbeid dan waarvan het Uwv is uitgegaan.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst wordt geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 1 juni 2012, waarin de signaleringen met betrekking tot de belastende factoren van de functies afdoende zijn toegelicht.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak dient dan ook bevestigd te worden.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.P. Ketting

IvZ