Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2437

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
12-2623 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Zorginstituut mocht wel een bijdrage Zvw in rekening brengen over de jaren 2006 en 2007, maar niet over de jaren 2008 en 2009. Hoewel niet ondenkbeeldig is dat betrokkene met betrekking tot de onderzoeken van de Svb voor de uitvoering van de AOW de nadruk wat meer heeft gelegd op zijn woon- en leefsituatie in Frankrijk, is er ook thans geen aanleiding te oordelen dat het gewone centrum van de belangen van betrokkene in de jaren 2006 en 2007 niet in Frankrijk lag. Hieraan kan niet afdoen dat betrokkene mogelijk procentueel minder tijd in Frankrijk doorbracht dan in Nederland, nu ook volgens vaste rechtspraak van het Hof de duur van het verblijf in de lidstaat niet kan worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van de definitie van het begrip woonplaats in de zin van Vo 1408/71 (vergelijk de arresten Swaddling, punt 30 en I tegen Health Service Executive, punt 49). Betrokkene viel gedurende de jaren 2008 en 2009 niet binnen de werkingssfeer van artikel 28 van Vo 1408/71. Hij kan derhalve niet worden aangemerkt als verdragsgerechtigde en is geen bijdrage Zvw over die jaren verschuldigd.

Wetsverwijzingen
Zorgverzekeringswet
Zorgverzekeringswet 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/315 met annotatie van M. van Everdingen
RSV 2014/238

Uitspraak

12/2623 ZVW, 12/2709 ZVW, 12/2710 ZVW en 13/1664 ZVW

Datum uitspraak: 18 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank ‘s-Gravenhage van

4 april 2012, 11/5866, 11/5873 en 11/5868 en van 20 februari 2013, 12/2894 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (CvZ)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de “Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg” (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door CvZ werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan CvZ.

Namens betrokkene heeft [naam D.], werkzaam bij Durville Belastingadviesbureau B.V., hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 april 2012.

Het Zorginstituut heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van

20 februari 2013.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Betrokkene heeft nadere vragen van de Raad beantwoord bij brief van 7 mei 2014 en nog nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014. Betrokkene is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [naam D.]. Voorts is op verzoek van betrokkene als getuige gehoord zijn zakelijk partner [naam zakelijk partner], woonachtig te Frankrijk. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Berghout.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is geboren in 1938 en ontvangt met ingang van maart 2003 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

1.2. Naar aanleiding van een huisbezoek, afgelegd door medewerkers van het Controle Team Buitenland van de Svb op 20 juni 2007 in het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van betrokkene in Frankrijk voor de toepassing van de AOW, heeft de Svb aan het Zorginstituut opgave gedaan van een verhuizing van betrokkene per 1 maart 2004 naar Frankrijk. Het Zorginstituut heeft betrokkene vervolgens als verdragsgerechtigde aangemerkt omdat betrokkene ingevolge Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71), als rechthebbende op een Nederlands pensioen woonachtig in Frankrijk, recht heeft op zorg in Frankrijk ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is betrokkene op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage verschuldigd (bijdrage Zvw) die met ingang van oktober 2007 door de Svb is ingehouden op het AOW-pensioen van betrokkene. Betrokkene heeft tegen deze inhouding bezwaar gemaakt op de grond dat hij niet in Frankrijk, maar in Nederland woont. In de daarop gevolgde procedure heeft de Raad in zijn uitspraak van

29 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1800, overwogen dat, hoewel betrokkene zowel in Nederland als in Frankrijk nauwe economische en sociale banden heeft, de plaats van zijn daadwerkelijke verblijf in de gegeven omstandigheden doorslaggevend is. Betrokkene heeft sinds zijn aanvraag van een AOW-pensioen tot aan het huisbezoek op

20 juni 2007, uitdrukkelijk en consistent verklaard dat hij om administratieve redenen in Nederland in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) is ingeschreven, maar feitelijk in Frankrijk woonachtig is. Deze verklaringen worden ook bevestigd door de bevindingen van het huisbezoek, waarbij betrokkene heeft verklaard 80% van zijn tijd in Frankrijk te verblijven. Geoordeeld wordt dat aan de door betrokkene vervolgens in de procedure gegeven andere lezing van zijn woon- en leefsituatie niet de door betrokkene gegeven betekenis kan worden toegekend, nu bewijsstukken daartoe geheel ontbreken.

1.3. In de procedures 12/2623, 12/2709 en 12/2710 heeft betrokkene de besluiten bestreden die betrekking hebben op de definitieve jaarafrekening over 2006 (beslissing op bezwaar van 31 maart 2011), de definitieve jaarafrekening over 2007 (beslissing op bezwaar van 31 maart 2011) en de voorlopige jaarafrekening over 2008 (beslissing op bezwaar van 19 mei 2011).

1.4. In de procedure 13/1664 heeft betrokkene de besluiten bestreden die betrekking hebben op de definitieve jaarafrekening over 2008 en de definitieve jaarafrekening over 2009 (beslissing op bezwaar van 22 februari 2012).

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 4 april 2012 (11/5866, 11/5873 en 11/5868) overwogen geen aanleiding te zien het oordeel van de Raad in de uitspraak van 29 september 2010 niet te volgen. De rechtbank ziet niet in dat betrokkene niet aan zijn destijds afgelegde verklaringen kan worden gehouden, zeker nu hij zijn stelling dat hij het grootste deel van de tijd in Nederland verblijft niet met nadere bewijsstukken heeft onderbouwd. De beroepen worden dan ook ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 februari 2013 (12/2894) aanleiding gezien anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 april 2012, dit mede naar aanleiding van de door betrokkene overgelegde reisdocumenten met betrekking tot zijn reizen tussen Nederland en Frankrijk. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar recente rechtspraak van de Hoge Raad, overwogen dat voor de vraag waar iemand woont, van belang is of de omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de door betrokkene gestelde en nu wel onderbouwde vervoersbewegingen aannemelijk is te achten dat betrokkene in de jaren 2008 en 2009 meer in Nederland dan in Frankrijk heeft verbleven. Mede ook gelet op de overige door betrokkene en door het Zorginstituut niet betwiste omstandigheden, komt de rechtbank in het licht van de (gewijzigde) rechtspraak thans tot de slotsom dat betrokkene in de jaren 2008 en 2009 geacht moet worden in Nederland woonplaats te hebben gehad. Dit betekent dat het Zorginstituut ten onrechte een bijdrage Zvw over die jaren bij betrokkene in rekening heeft gebracht. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van

22 februari 2012 vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, de primaire besluiten herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Voorts is het Zorginstituut veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en moet het griffierecht worden vergoed.

3.1. In hoger beroep heeft betrokkene aangevoerd dat hij altijd in Nederland heeft gewoond. Hij verblijft weliswaar regelmatig voor zakelijke doeleinden in Frankrijk, maar heeft zijn woonplaats in Nederland behouden. Hij heeft altijd in Nederland aangifte voor de inkomstenbelasting gedaan en premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) betaald, evenals de premie voor zijn zorgverzekering bij zorgverzekeraar IZZ. Uit de door hem overgelegde vervoersbewijzen blijkt ook dat hij het merendeel van de tijd in Nederland verbleef, hetgeen ook kan worden bevestigd door zijn zakelijke compagnon in Frankrijk, [naam zakelijk partner]. Hij heeft familie en kennissen in Nederland, is geabonneerd op Nederlandse tijdschriften en bezoekt indien nodig een (tand)arts in Nederland. Bij het huisbezoek van de Svb in juni 2007 heeft betrokkene de nadruk gelegd op zijn verblijf in Frankrijk om te illustreren dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-echtgenote in Nederland. Feitelijk verbleef hij minder dan de helft van de tijd in Frankrijk en nooit langer dan drie weken aaneengesloten.

3.2. Het Zorginstituut is echter van mening dat uit de diverse feiten en omstandigheden blijkt dat betrokkene tijdens de in geding zijnde jaren in Frankrijk woonde. Uit de overgelegde vervoersbewijzen blijkt dat betrokkene veelvuldig heen en weer reist, maar hieruit volgt niet dat hij in Frankrijk slechts verbleef en in Nederland zijn woonplaats had.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of betrokkene als verdragsgerechtigde een bijdrage Zvw verschuldigd is over de jaren 2006 tot en met 2009.

4.2.

Voor deze beoordeling is in het onderhavige geval van belang of betrokkene onder de werkingssfeer van artikel 28 van Vo 1408/71 valt. In artikel 28 van Vo 1408/71 is - kort gezegd en voor zover hier van belang - bepaald dat de rechthebbende op een wettelijk pensioen uit een lidstaat, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat waar hij woont, recht op deze prestaties in het woonland heeft voor zover hij in het pensioenland recht op deze prestaties zou hebben indien hij daar woonde. De verstrekkingen worden voor rekening van het pensioenland verleend door het orgaan van de woonplaats.

4.3.

Ingevolge artikel 1, onder h, van Vo 1408/71 wordt onder “woonplaats” verstaan de plaats waar iemand zijn normale verblijfplaats heeft. Dit begrip heeft derhalve een autonome, communautaire betekenis.

4.4.

Vastgesteld wordt dat betrokkene geen beroepswerkzaamheden in Frankrijk heeft verricht, dan wel anderszins inkomsten uit die lidstaat verwierf op grond waarvan hij recht had op prestaties. De artikelen 27 tot en met 33 van Vo 1408/71 zijn dan ook in beginsel van toepassing, namelijk als vastgesteld wordt dat betrokkene tijdens de perioden in geding woonplaats had in Frankrijk.

4.5.

Blijkens vaste rechtspraak van het Hof (vergelijk de arresten Di Paolo van 17 februari 1977, C-76/76, Swaddling van 25 februari 1999, C-90/97, Wencel van 16 mei 2013, C-589/10 en I tegen Health Service Executive van 5 juni 2014, C-255/13) wordt inzake het begrip “woonplaats” binnen de toepassing van Vo 1408/71 gedoeld op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. In het bijzonder dient te worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene, de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, of hij een vaste werkkring heeft, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. Het begrip woonplaats in een lidstaat sluit niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. Volgens het Hof kan een persoon, voor de toepassing van Vo 1408/71, echter niet tegelijkertijd beschikken over twee normale woonplaatsen op het grondgebied van twee verschillende lidstaten (arrest Wencel, punt 51). De in de rechtspraak van het Hof neergelegde factoren die in aanmerking genomen moeten worden bij de vaststelling van de normale woonplaats van een persoon, zijn thans gecodificeerd in artikel 11, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009. Deze opsomming is echter niet uitputtend en voorziet niet in een rangorde (arrest I tegen Health Service Executive, punt 46). Het is aan de nationale rechter om, gelet op alle relevante elementen in het dossier, te beoordelen waar zich de normale woonplaats van de betrokkene bevindt. Hierbij zijn niet de formele indicaties, zoals inschrijving in een gemeentelijk inwonersregister, doorslaggevend, maar zijn de concrete feiten en omstandigheden bepalend voor de vraag of betrokkene ten tijde in geding het gewone centrum van zijn belangen in Frankrijk dan wel in Nederland had.

4.6.

Uit de gedingstukken en het verhandelde op de zitting kan het volgende worden opgemaakt. Betrokkene is enig aandeelhouder van een Nederlandse B.V. ([Naam B.V.]) die een meerderheidsbelang (51%) heeft in een in Frankrijk gevestigde dochteronderneming [naam dochteronderneming]). Deze Franse onderneming richt zich op de begeleiding van buitenlanders bij het kopen en (ver)bouwen van een huis in Frankrijk tot en met de oplevering. [naam zakelijk partner] is directeur van die Franse onderneming en bezit 49% van de aandelen. De activiteiten van betrokkene voor die Franse onderneming waren gericht op het verstrekken van kapitaal en kennis en het zoeken van bouwterreinen. Een deel van de werkzaamheden vond plaats in Nederland, zoals de contacten met cliënten en het ondertekenen van de contracten. Betrokkene ontving hiervoor alleen een onkostenvergoeding, met name een reiskostenvergoeding voor de reizen tussen Frankrijk en Nederland. Er is geen dividend uitgekeerd. De enige verdiensten die betrokkene heeft gehad kwamen uit de in- en verkoop van twee bouwkavels, waarvoor hij in Frankrijk als niet-ingezetene is belast. In de beginjaren na de oprichting van de Franse onderneming in 1998 was betrokkene veelvuldig in Frankrijk aanwezig en waren zijn activiteiten voor de Franse onderneming aanzienlijk. Later, toen [naam zakelijk partner] meer ervaring kreeg en ook door het teruglopen van de verkopen, heeft betrokkene zijn activiteiten wat afgebouwd. Betrokkene heeft in Nederland noch in Frankrijk zelfstandige woonruimte. Tijdens zijn verblijf in Frankrijk gedurende de jaren in geding bewoonde hij een deel van het kantoor/woonhuis dat door de Franse onderneming werd gehuurd van de ouders van [naam zakelijk partner]. Dit deel bestond uit een kantoor- en een slaapruimte en verder kon hij van de overige leefruimten gebruik maken. Tijdens het verblijf in Nederland maakte betrokkene voornamelijk gebruik van het pand waarin de Nederlandse vennootschap is gevestigd. Dat pand is geen eigendom van betrokkene, maar van zijn
ex-echtgenote. Betrokkene heeft in dat huis de beschikking over een werkkamer, een slaapkamer en maakt gebruik van de badkamer en de keuken. Betrokkene reist veel heen en weer tussen Nederland en Frankrijk. Uit praktische overwegingen wordt het AOW-pensioen naar een Franse bankrekening overgemaakt. Betrokkene heeft allerlei (vervoers)stukken overgelegd waaruit volgens hem blijkt hoeveel tijd hij in de verschillende jaren in Frankrijk en in Nederland heeft doorgebracht en dat het verblijf in Frankrijk steeds hooguit drie weken aaneengesloten heeft geduurd. Zo zou hij in 2006 56% van de tijd in Frankrijk hebben verbleven, in 2007 bijna 34%, in 2008 ruim 43% en in 2009 bijna 50% van de tijd, hetgeen ter zitting ook is bevestigd door [naam zakelijk partner]. Naast zijn werkzaamheden in Frankrijk bracht betrokkene ook vakanties door bij (Nederlandse) kennissen in Frankrijk. De meeste sociale contacten van betrokkene vonden echter plaats in Nederland, waar zijn kinderen en kleinkinderen wonen en hij verdere familie en vrienden heeft. Ook artsenbezoek en dergelijke vond in Nederland plaats.

4.7.

In de uitspraak van 29 september 2010, met betrekking tot de inhouding van de bijdrage Zvw op het AOW-pensioen met ingang van oktober 2007, heeft de Raad met name op grond van eigen verklaringen van betrokkene geoordeeld dat hij in de gegeven omstandigheden daadwerkelijk woonde in Frankrijk. Hierbij is van belang geacht dat betrokkene bij zijn aanvraag om AOW-pensioen in 2004 te kennen heeft gegeven dat hij nog in de GBA is ingeschreven op het adres van zijn ex-echtgenote omdat hij zijn Nederlandse ziektekostenpolis wil behouden, maar dat hij feitelijk in Frankrijk woont. Hij heeft de Svb ook gevraagd zijn AOW-pensioen over te maken op zijn Franse bankrekening. Voorts heeft betrokkene desgevraagd in 2005 nogmaals aan de Svb opgegeven dat hij op het adres in Nederland geen gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote, maar dat hij in Frankrijk woont. Ook tijdens het huisbezoek in Frankrijk van de Svb in juni 2007 heeft betrokkene uitdrukkelijk verklaard dat hij 80% van zijn tijd in Frankrijk doorbrengt en de meeste van zijn zakelijke activiteiten vanuit het kantoor in Frankrijk verricht. Daarbij heeft hij voorts verklaard dat hij met [naam zakelijk partner], met wie hij geen affectieve relatie heeft en geen gezamenlijke huishouding voert, een vennootschap vormt en dat vanuit dit kantoor wordt gewerkt om nieuwbouwprojecten in de Dordogne te ontwikkelen.

4.8.

Hoewel niet ondenkbeeldig is dat betrokkene met betrekking tot de onderzoeken van de Svb voor de uitvoering van de AOW de nadruk wat meer heeft gelegd op zijn woon- en leefsituatie in Frankrijk, is er ook thans geen aanleiding te oordelen dat het gewone centrum van de belangen van betrokkene in de jaren 2006 en 2007 niet in Frankrijk lag. Hieraan kan niet afdoen dat betrokkene mogelijk procentueel minder tijd in Frankrijk doorbracht dan in Nederland, nu ook volgens vaste rechtspraak van het Hof de duur van het verblijf in de lidstaat niet kan worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van de definitie van het begrip woonplaats in de zin van Vo 1408/71 (vergelijk de arresten Swaddling, punt 30 en I tegen Health Service Executive, punt 49).

4.9.

Ten aanzien van de jaren 2008 en 2009 pakt de weging van omstandigheden anders uit. Hoewel niet kan worden ontkend dat betrokkene ook na 2007 nauwe banden met Frankrijk heeft onderhouden, heeft hij ten aanzien van die jaren aannemelijk gemaakt dat het gewone centrum van zijn belangen meer in Nederland dan in Frankrijk was gelegen. In de procedure naar aanleiding van het hoger beroep van het Zorginstituut heeft betrokkene ook benadrukt dat zijn feitelijke verblijfssituatie na 2007, ten opzichte van de jaren daarvoor, is gewijzigd. Ter zitting heeft betrokkene deze stellingname onderbouwd door erop te wijzen dat hij steeds minder voor zakelijke doeleinden in Frankrijk hoefde te verblijven. Enerzijds kwam dit omdat [naam zakelijk partner] door haar toenemende ervaring steeds zelfstandiger kon werken, anderzijds ging het zakelijk gezien wat minder goed met de onderneming, waardoor hij minder activiteiten hoefde te ontplooien. Bij de weging van de omstandigheden is voorts onder meer in aanmerking genomen dat betrokkene de meeste sociale en culturele banden in Nederland heeft, artsenbezoek in Nederland plaatsvindt, hij Nederlandse bankrekeningen heeft en dat niet is gebleken van een intentie om zich blijvend in Frankrijk te vestigen. Voorts is niet zonder belang dat ook andere destijds daartoe bevoegde organen betrokkene als ingezetene van Nederland hebben beschouwd en daarmee als verplicht verzekerde voor de AWBZ en Zvw. Gelet op alle relevante elementen in het dossier kan niet anders worden gezegd dan dat, anders dan in de jaren daarvoor, de binding van betrokkene met Nederland in de in geding zijnde jaren 2008 en 2009 zodanig was dat zich hier zijn normale woonplaats bevond in de zin van bovengenoemde rechtspraak van het Hof. Dit betekent dat betrokkene gedurende de jaren 2008 en 2009 niet binnen de werkingssfeer van artikel 28 van Vo 1408/71 viel, hij derhalve niet kan worden aangemerkt als verdragsgerechtigde en hij geen bijdrage Zvw over die jaren verschuldigd is.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat het Zorginstituut wel een bijdrage Zvw in rekening mocht brengen over de jaren 2006 en 2007, maar niet over de jaren 2008 en 2009. De door betrokkene aangevallen uitspraak van de rechtbank van 4 april 2012 dient dan ook te worden bevestigd voor zover deze betrekking heeft op de definitieve jaarafrekeningen over 2006 en 2007. Die uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de voorlopige jaarafrekening over 2008. Het beroep tegen de voorlopige jaarafrekening over 2008 dient gegrond te worden verklaard en het primaire besluit van 26 februari 2011 wordt herroepen. De door het Zorginstituut aangevallen uitspraak van 20 februari 2013 wordt bevestigd.

5.

Aanleiding bestaat om het Zorginstituut te veroordelen in de proceskosten die betrokkene heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand in de procedures 12/2710 ZVW (beroepschrift en zitting rechtbank, hoger beroepschrift, schriftelijke inlichtingen en zitting Raad) en 13/1664 ZVW (verweerschrift). Deze kosten worden begroot op € 2.678,50. Voorts dienen de kosten van de door betrokkene meegebrachte getuige door het Zorginstituut te worden vergoed. Deze kosten wegens tijdverzuim worden ingevolge artikel 8, eerste lid, onder e, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 begroot op 8 uur à € 6,81, totaal € 54,48. Voorts heeft betrokkene reis- en verblijfkosten gedeclareerd voor het bijwonen van de zitting in beroep en in hoger beroep en voor de meegebrachte getuige naar de zitting in hoger beroep. Deze kosten van totaal € 145,- komen de Raad niet onredelijk voor, zodat deze voor toewijzing in aanmerking komen. De opgevoerde telefoonkosten en reprokosten zijn niet onderbouwd en komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 4 april 2012 voor zover deze betrekking heeft op de definitieve jaarafrekeningen over 2006 en 2007;

  • -

    vernietigt die uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de voorlopige jaarafrekening over 2008;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 19 mei 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    herroept het besluit van 26 februari 2011;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2013;

  • -

    veroordeelt het Zorginstituut in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van
    € 2.877,98;

  • -

    bepaalt dat het Zorginstituut aan betrokkene het betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt;

  • -

    bepaalt dat van het Zorginstituut een griffierecht wordt geheven van € 478,-.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.P. Ketting

IvZ