Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
13-2862 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:3598, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft bij het besluit van 24 juli 2013 het bezwaar tegen de brief van 2 maart 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/277

Uitspraak

13/2862 ZW, 13/4195 ZW

Datum uitspraak: 16 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 mei 2013, 12/781 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en tevens op 24 juli 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 12/4784 WIA plaatsgevonden op

4 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker en [naam Y.]. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1. Vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft appellant zich op 19 augustus 2011 ziek gemeld. In verband hiermee is hem een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2. Bij besluit van 1 november 2011 is appellant met ingang van diezelfde datum weer geschikt geacht voor zijn arbeid en is de ZW-uitkering beëindigd. Het door appellant op

19 januari 2012 tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 februari 2012

niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

2.1. Nadat appellant en zijn begeleider [naam Y.] nogmaals met een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts hebben gesproken op 27 februari 2012, heeft het Uwv appellant bij brief van 2 maart 2012 bericht “dat de arts met u heeft besproken dat u vanaf 1 november 2011 weer kunt werken”.

2.2. Het tegen dit bericht gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 4 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard.

3.1. Nadat appellant hoger beroep had ingesteld tegen de aangevallen uitspraak heeft het Uwv, onder intrekking van het bestreden besluit, bij besluit van 24 juli 2013 het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het Uwv is de brief van 2 maart 2012 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze brief niet is gericht op rechtsgevolg. De brief is slechts een herhaling van het besluit van 1 november 2011 dat appellant met ingang van 1 november 2011 niet langer recht heeft op een ZW-uitkering.

3.2. In reactie hierop heeft appellant, kort samengevat, aangevoerd dat er wel sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Zijn argumenten voor dit standpunt worden hierna behandeld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu het Uwv het bestreden besluit niet langer handhaaft, zullen de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, en het bestreden besluit worden vernietigd.

4.2.

Het besluit van 24 juli 2013 wordt, gelet op artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

4.3.

De brief van 2 maart 2012 is een herhaling van de motivering van het besluit van

1 november 2011 en roept geen rechtsgevolgen in het leven die niet al door dat besluit teweeg waren gebracht.

4.4.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de brief van 2 maart 2012 moet worden aangemerkt als een beslissing op het door appellant bij brief van 19 januari 2012 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 1 november 2011. Het Uwv had immers al op dit bezwaar beslist bij besluit van 21 februari 2012, terwijl er ook geen aanleiding bestond om nogmaals op dit bezwaar te beslissen. Verder duidt ook de tekst van de brief van 2 maart 2012 hier niet op. Ten slotte is in de brief van 2 maart 2012 niet te lezen dat hiermee het besluit van 1 november 2011 wordt ingetrokken en een nieuw besluit is genomen.

4.5.

Het subsidiaire standpunt van appellant, dat de brief van 19 januari 2012 moet worden gezien als een verzoek om herziening van het besluit van 1 november 2011, en dat de brief van 2 maart 2012 hierop een beslissing is, wordt ook niet gevolgd. In de brief van

19 januari 2012 wordt uitdrukkelijk vermeld dat het betreft: “Bezwaar tegen uw beschikking van d.d. 01-11-2011”. Ook uit de tekst van de brief van 19 januari 2012 heeft het Uwv niet hoeven begrijpen dat appellant hiermee in wezen een herziening van het besluit van

1 november 2011 beoogde.

4.6.

Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv bij het besluit van 24 juli 2013 het bezwaar tegen de brief van 2 maart 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het beroep tegen het besluit van 24 juli 2013 zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 1.217,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2013 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.191,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

RK