Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
13-1026 WWB-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak. Intrekking en terugvordering bijstand. Nabetaling WIA-uitkering dient op de bijstand van appellante in mindering te worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1026 WWB-PV

Datum uitspraak: 8 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2013, 12/8886 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Zitting heeft: A.B.J. van der Ham

Griffier: O.P.L. Hovens

Ter zitting is namens het college verschenen mr. F. Darwish. Appellante is, met bericht, niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij besluit van 13 april 2012 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 26 september 2008 tot en met 31 maart 2012 herzien en de ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 1.918,61 van haar teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante in de betreffende periode een nabetaling heeft ontvangen in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Deze nabetaling is inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid van de Wet werk en bijstand en dient op de bijstand van appellante in mindering te worden gebracht.

Bij besluit van 3 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 april 2012 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Tussen partijen is niet in geschil dat het college bevoegd was de ten onrechte verleende bijstand van appellante terug te vorderen. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de toekenning van de WIA-uitkering het resultaat is van een door haar gevoerde procedure. Het college had hierin aanleiding moeten zien om de terugvordering op nihil te stellen dan wel te matigen. Bovendien was het appellante nimmer duidelijk dat zij teveel uitkering had ontvangen. De Raad begrijpt de door appellante aangevoerde gronden aldus dat zij een beroep doet op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het college voert het beleid dat, behoudens dringende redenen, steeds van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. Wat appellante heeft aangevoerd kan niet worden aangemerkt als dringende reden in vorenbedoelde zin. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

O.P.L. Hovens A.B.J. van der Ham

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

HD