Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
12-6859 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Ontheffing uit eigen functie. De rechtbank heeft ten onrechte na vernietiging van het bestreden besluit de rechtsgevolgen in stand gelaten. Er was niet enkel een formele omissie, maar er was sprake van een materieel gebrek. 2) Ontslag op andere gronden. Geen passende oplossing voorhanden. Gebeurtenissen uit het verleden zoals het, naar door appellant is onderkend, door zijn eigen toedoen mislukken van diverse pogingen om een detachering van de grond te krijgen, wijzen er niet op dat appellant gemakkelijk naar ander dan het eigen werk was te geleiden. Appellant is niet tekort gedaan met de bij het ontslag getroffen financiële regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/164

Uitspraak

12/6859 AW, 12/6860 AW

Datum uitspraak: 17 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

22 november 2012, 12/1435 en 12/929 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlȃn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.F. van Norel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Norel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Schaap, advocaat, en door J. Bosma, H. de Roo en A. Geverink.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant was werkzaam als [naam functie A.] bij het cluster [naam cluster] van de afdeling [naam afdeling]. Op 29 juni 2010 heeft hij de gemeentesecretaris gebeld en haar in tranen verteld dat hij stelselmatig wordt gepest op het werk, waarbij hij de namen van drie collega’s, onder wie [naam W], heeft genoemd. Op

30 juni 2010 heeft W de leidinggevende van hemzelf en appellant laten weten dat er problemen zijn met appellant en dat “de bom is gebarsten”. Daarop is een gesprek gevoerd tussen de leidinggevende, de drie collega’s en appellant. Tijdens dit gesprek hebben de collega’s onder meer te kennen gegeven zich niet te herkennen in het beeld dat appellant zou worden gepest. Na afloop van dit gesprek heeft W de leidinggevende laten weten niet meer met appellant te willen samenwerken. W heeft deze mededeling enkele dagen later nog eens uitdrukkelijk herhaald.

1.1.

De onder 1 beschreven gebeurtenissen hebben aanleiding gegeven appellant weg te halen bij [onderdeel] en hem tijdelijk te plaatsen bij [naam voorziening]. Op

13 september 2010 heeft appellant zich ziek gemeld. Op 16 november 2010 en op

29 november 2010 zijn gesprekken gevoerd tussen appellant, de leidinggevende en het hoofd van de afdeling Ruimte. Appellant heeft tijdens deze gesprekken laten weten te willen terugkeren in zijn eigen functie. Naar aanleiding hiervan is besloten te laten onderzoeken of er nog voldoende basis is voor samenwerking tussen appellant en zijn collega’s. Er is een mediator van ArboUnie ingeschakeld. Deze heeft in januari 2011 gesprekken gevoerd met W en één van de andere twee betrokken collega’s, alsmede met appellant. In een rapportage van 31 januari 2011 heeft de mediator geadviseerd geen verdere pogingen meer te ondernemen om het conflict op te lossen, maar te kiezen voor een andere oplossing. Volgens de mediator is er onvoldoende basis voor het maken van afspraken ter verbetering van de samenwerking.

1.2.

Gelet op de bevindingen van de mediator is op 24 februari 2011 opnieuw een gesprek gevoerd met appellant, in vervolg waarop hem op 8 maart 2011 is meegedeeld dat is besloten hem niet te laten terugkeren naar de ploeg [onderdeel] (besluit 1). Daarbij is vermeld dat de dienstleiding de toekomst van appellant niet ziet bij de gemeente en samen met appellant tot een goede oplossing wil komen. Appellant heeft tegen besluit 1 bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 28 april 2011 heeft de bedrijfsarts appellant volledig arbeidsgeschikt verklaard. Er is, aldus de bedrijfsarts, sprake van een conflict dat niet langs medische weg kan worden opgelost. Appellant heeft in de daaropvolgende periode wederom te kennen gegeven te willen terugkeren in zijn eigen functie. Op 6 juni 2011 is appellant meegedeeld dat nogmaals onderzoek zal worden gedaan naar de mogelijkheid tot die terugkeer. Dit onderzoek is uitgevoerd door een advocaat, verbonden aan het kantoor Capra advocaten te Zwolle. Deze heeft gesproken met appellant, de betrokken drie collega’s en de leidinggevende. Op

15 september 2011 heeft de onderzoeker gerapporteerd. Eindconclusie van het onderzoek is dat de eerdere conclusie van de mediator van ArboUnie dat er geen basis is voor verdere samenwerking juist en begrijpelijk is geweest. Het ontbreken van een basis voor samenwerking is, aldus verder de onderzoeker, niet op korte termijn op te lossen.

1.4.

Na het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt en appellant gelegenheid te hebben geboden daarop te reageren, heeft het college appellant bij besluit van 17 november 2011 (besluit 2), met ingang van 1 december 2011, ontslag op andere gronden als bedoeld in

artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) verleend. Daaraan is de garantie op een werkloosheidsuitkering verbonden. Tevens zijn een aanvullende en een nawettelijke uitkering toegekend. Ook is een bedrag van

€ 7.500,- beschikbaar gesteld voor outplacementbegeleiding. Appellant heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 6 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dit ziet op besluit 1, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit volledig in stand blijven. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen te begrijpen dat met besluit 1 is beoogd dat appellant uit zijn functie bij het team van [onderdeel] wordt ontheven. Nu het besluit er geen blijk van geeft dat appellant een andere (tijdelijke) betrekking heeft opgedragen gekregen, kan dat besluit, aldus verder de rechtbank, geen stand houden. De eerdere plaatsing bij [naam voorziening] kan dat volgens de rechtbank niet anders maken. De rechtbank zag aanleiding tot het in zoverre in stand laten van de rechtsgevolgen omdat volgens haar het college voldoende heeft gemotiveerd dat de overplaatsing nodig was om de rust te herstellen en het functioneren van het team te verbeteren. Niet is gebleken dat de overplaatsing naar het team [naam voorziening] niet in redelijkheid aan appellant kon worden opgedragen. De rechtbank achtte verder het ontslag niet rechtens onhoudbaar en oordeelde dat de daaraan verbonden ontslagvoorzieningen gelet op de feiten en omstandigheden redelijk zijn te achten.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Besluit 1

3.1.

Appellant is het ermee eens dat de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd voor zover dit ziet op besluit 1, maar hij vindt het niet terecht dat de rechtsgevolgen van dit onderdeel van het bestreden besluit daarbij in stand zijn gelaten. Daarin wordt hij gevolgd. De Raad begrijpt de aangevallen uitspraak aldus dat de rechtbank weliswaar van oordeel is dat besluit 1 niet voldoet aan de daaraan volgens vaste rechtspraak te stellen eisen, maar dat zij dit gebrek als niet meer dan een formele aangelegenheid heeft beschouwd gelet op de plaatsing van appellant bij [naam voorziening] zoals die al eerder, namelijk medio 2010, haar beslag had gekregen. Ten tijde van de totstandkoming van besluit 1 op 8 maart 2011 was het verrichten van werkzaamheden bij [naam voorziening] echter niet meer aan de orde. Appellant zat toen al geruime tijd ziek thuis. Dat [naam voorziening] toen al uit beeld was, wordt bevestigd door het gegeven dat appellant daar na zijn hersteldverklaring op 28 april 2011 niet meer is teruggekeerd. Dat betekent dat het ontbreken in besluit 1 van op zijn minst enig uitzicht op andere werkzaamheden - volstaan is immers met het in het vooruitzicht stellen van een toekomst buiten de gemeente - niet enkel een formele omissie inhoudt, maar ten volle als een materieel gebrek is te beschouwen. Onder die omstandigheden was er voor het in stand laten van rechtsgevolgen geen plaats.

3.1.1.

Het overwogene onder 3.1 wordt niet anders doordat, zoals het college heeft gesteld, toen al ernstig rekening werd gehouden met een naderend ontslag. Besluit 1 strekt tot ontheffing uit de eigen functie en rept niet van ontslag. Een zodanige ontheffing behoort, in aanmerking genomen artikel 15:1:10, eerste lid, van de CAR/UWO zoals luidende ten tijde van belang, nu eenmaal als regel gepaard te gaan met het opdragen van een andere betrekking. Daarbij wordt opgemerkt dat er andere, meer geëigende middelen dan een functieontheffing voorhanden zijn om het in dit verband door de rechtbank genoemde herstel van rust te bereiken, of om onderzoek of onderhandelingen ter voorbereiding van een eventueel ontslag te faciliteren. Te denken valt daarbij aan het middel van schorsing of dat van buitengewoon verlof.

3.1.2.

Conclusie is dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en besluit 1 herroepen. Bij deze uitkomst is er alsnog plaats voor vergoeding van de kosten van het bezwaar.

Besluit 2

3.2.

Op het punt van het ontslagbesluit is door appellant allereerst aangevoerd dat dit niet berust op onafhankelijk onderzoek. Die beroepsgrond kan niet slagen. Duidelijk is, en het college bevestigt dit ook volmondig, dat het onderzoek dat is uitgevoerd door een advocaat van Capra op één lijn is te stellen met een onderzoek, verricht door het college zelf. Het college was enig opdrachtgever tot het onderzoek en het laat zich in deze zaak in en buiten rechte door Capra vertegenwoordigen. Van een onafhankelijk onderzoek was in die zin geen sprake, maar het valt ook niet in te zien dat er een verplichting tot het initiëren van een dergelijk onderzoek bestond. Het Capra-onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorbereiding van een door het college te nemen eenzijdig besluit over de rechtspositie van appellant. Het gaat hier dus niet om geschilbeslechting met daaraan verbonden vereisten van onafhankelijkheid. Wel had het college in dit kader zorgvuldigheidsverplichtingen, maar die zijn met het genoemde onderzoek ten volle nagekomen.

3.3.1.

Appellant meent verder dat in dit geval niet aan de voorwaarden voor een ontslag op de gehanteerde grondslag was voldaan. Ook daarin kan hij niet worden gevolgd. Volgens vaste rechtspraak kan ontslag als bedoeld in artikel 8:8 van de CAR/UWO worden verleend als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd (uitspraak van 7 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0290). De Raad deelt het oordeel van het college dat deze situatie in dit geval aan de orde was. Zowel uit het onderzoek van Capra als uit het daaraan voorafgegane onderzoek van ArboUnie komt klip en klaar naar voren dat het weer opstarten van de samenwerking tussen appellant en zijn collega’s bij [onderdeel] geen haalbare kaart was. Uit de beide onderzoeken blijkt dat enkele collega’s beslist niet meer met appellant wilden samenwerken. Ook komt daaruit naar voren dat appellant steeds is blijven volharden in zijn beschuldigingen jegens zijn collega’s en daarbij zelfs de suggestie van mogelijk strafbaar handelen heeft gewekt, hoewel niet of nauwelijks concrete voorbeelden van het beweerdelijke pestgedrag ter tafel zijn gekomen. In dat licht bezien zijn de stellingen van appellant dat hij geen problemen met zijn collega’s had en met hen in gesprek had willen gaan, moeilijk te plaatsen. Het college heeft al met al terecht gemeend dat de weg terug naar [onderdeel] als afgesneden diende te worden beschouwd.

3.3.2.

De Raad volgt het college tevens in zijn opvatting dat ook overigens geen passende oplossing voor de ontstane situatie voorhanden was. Toen de plaatsing bij [naam voorziening] een feit was, heeft appellant bij herhaling benadrukt dat hij zich daar, mede in verband met de darmklachten waarmee hij sinds lang heeft te kampen, niet de juiste man op de juiste plaats voelde. Dit gevoelen wordt bevestigd door zijn ziekmelding in september 2010 en de langdurige ziekte nadien. Terugplaatsing op die plek lag dus, nog los van de verwevenheid die tot op zekere hoogte bestond tussen het werk aldaar en het werk bij [onderdeel], niet voor de hand. Van anderszins aanwezige, concrete en daadwerkelijke mogelijkheden om appellant werk te bieden is de Raad niet kunnen blijken. In dit verband kan niet helemaal voorbij worden gegaan aan de langdurige en complexe voorgeschiedenis van appellant bij de gemeente. Gebeurtenissen uit het verleden zoals het, naar door appellant is onderkend, door zijn eigen toedoen mislukken van diverse pogingen om een detachering van de grond te krijgen, wijzen er niet op dat appellant gemakkelijk naar ander dan het eigen werk was te geleiden.

3.3.3.

Het overwogene onder 3.3.1 en 3.3.2 betekent dat het college zich terecht bevoegd heeft geacht appellant met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag te verlenen. Er valt daarbij niet in te zien dat appellant tekort is gedaan met de bij het ontslag getroffen financiële regeling. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 9 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8173) is een uitkeringsregeling op minimumniveau in beginsel alleen dan onvoldoende als het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Hoewel de afwikkeling door het college niet steeds helemaal vlekkeloos is geweest, kan, het overwogene onder 3.3.1 en 3.3.2 in aanmerking genomen, in dit geval niet van een zodanig aandeel aan de zijde van het college worden gesproken.

3.3.4.

De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd voor zover deze ziet op besluit 2.

4.

Er is tot slot aanleiding het college te veroordelen in de reeds onder 3.1.2 genoemde bezwaarkosten tot een bedrag van € 487,-, alsmede in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 974,-, in totaal derhalve € 1.461,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde

deel van het besluit van 6 maart 2012 in stand zijn gelaten;

- herroept het besluit van 8 maart 2011;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage

van € 232,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD