Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
13-100 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Het college heeft niet voldaan aan de oproeping van de Raad om ter zitting te verschijnen, zodat de Raad de gevolgtrekkingen zal maken die hem geraden voorkomen en bij het vaststellen van de feiten uitgaan van de beschikbare gegevens. Deze gegevens zijn onvoldoende ter onderbouwing van het standpunt dat appellant werkzaamheden heeft verricht die een beletsel vormden voor bijstandsverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/211

Uitspraak

13/100 WWB, 13/251 WWB

Datum uitspraak: 15 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-[woonplaats A] van

20 december 2012, 12/1147 (aangevallen uitspraak 1) en 12/1148 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats A](appellant) en [Appellante] te [woonplaats B](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats A] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014. Appellanten, daartoe ambtshalve opgeroepen, zijn verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het college, hoewel eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 14 november 2007 tot 1 september 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant verblijft vanaf 2 juni 2005 op het adres [Adres A] te [woonplaats A] en staat vanaf 5 december 2007 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op dat adres. Op dat adres staat sinds 8 januari 1990 ook appellante ingeschreven.

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 4 augustus 2008 van een preventiemedewerkster van de gemeente [woonplaats A] dat zij appellante uit haar sociale omgeving kent en weet dat appellante met appellant een relatie heeft, met hem samenwoont en ervoor heeft gezorgd dat hij in Nederland kon blijven, heeft het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland (SRF) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek heeft de SRF dossieronderzoek verricht, in de periode van

26 mei 2009 tot en met 13 juli 2009 waarnemingen en van 8 september 2010 tot en met

1 december 2010 stelselmatig observaties in de omgeving van de woning van appellanten verricht, opgevraagde bankafschriften onderzocht en appellanten verhoord als verdachte. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 31 maart 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

9 november 2011 (besluit 1) de bijstand van appellant over de periode van 14 november 2007 tot en met 31 augustus 2010 in te trekken. Bij afzonderlijk besluit van 9 november 2011 (besluit 2) heeft het college de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 38.132,22 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 9 november 2011 (besluit 3) heeft het college de kosten van bijstand tot een bedrag van € 38.132,22 mede van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 8 mei 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten in de periode van 14 november 2007 tot en met 31 augustus 2010 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellante. Appellant heeft daarvan geen melding gemaakt bij het college. Daarnaast heeft appellant geen melding gemaakt van inkomsten uit werkzaamheden. Het college kan het recht op bijstand vanwege het ontbreken van een deugdelijke boekhouding niet vaststellen.

1.6.

Bij besluit van 14 mei 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellante tegen besluit 3 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten van ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van appellante, omdat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden met haar middelen.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben aangevoerd dat zij geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat zij bij de aanvraag volledige openheid van zaken hebben gegeven over hun woon- en leefsituatie.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 14 november 2007 tot en met 31 augustus 2010.

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Het derde lid van artikel 3 van de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4.

Niet in geschil is dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.5.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6.

Het college heeft in de gegevens die appellant bij zijn aanvraag in 2007 heeft verstrekt geen aanleiding gezien nader onderzoek te doen. Appellanten hebben bij de aanvraag om bijstand van appellant desgevraagd nog verklaard geen stelletje te zijn. Vervolgens hebben de waarnemingen in de periode van 26 mei 2009 tot en met 13 juli 2009 naar aanleiding van een melding van een preventiemedewerker op 4 augustus 2008 evenmin tot actie geleid van de zijde van het college. Het college heeft aan de besluitvorming uiteindelijk de processen-verbaal van verhoor van 15 maart 2011 van appellanten ten grondslag gelegd. Uit deze processen-verbaal valt evenwel niet eenduidig op te maken op welke concrete perioden de verklaringen van appellanten betrekking hebben. De sociaal rechercheurs hebben verzuimd in dat opzicht gericht door te vragen. Daarbij is van belang dat het college naar aanleiding van de aanvraag geen nader onderzoek heeft gedaan. Dit betekent dat de gedingstukken onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie van het college dat ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding en dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting in zoverre niet heeft geschonden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De bestreden besluiten kunnen daarom op die grond geen stand houden.

4.8.

Het college heeft subsidiair aan de intrekking en terugvordering ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat appellant geen melding heeft gemaakt van inkomsten uit werkzaamheden. De onderzoeksresultaten bieden op zichzelf onvoldoende grondslag voor dat standpunt. In dat verband is van belang dat niet is gebleken dat het college onderzoek heeft gedaan naar inkomsten van appellant. De enkele waarneming in de periode van 26 mei 2009 tot en met 13 juli 2009 dat appellant op de oprit aan auto’s klust is onvoldoende om aan te nemen dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dus geen recht meer op bijstand had. Bovendien was in het kader van het voorbereidingsjaar op grond van het Bbz 2004 bij het college bekend dat appellant bezig was om zich voor te bereiden op werkzaamheden als zelfstandige.

4.9.

Het college heeft niet voldaan aan de oproeping van de Raad om ter zitting te verschijnen, ondanks het feit dat het college, zoals is bericht, daartoe op grond van artikel 8:27, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht was. De Raad zal daarom uit het niet verschijnen van het college ter zitting, met toepassing van artikel 8:31 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen en bij het vaststellen van de feiten uitgaan van de beschikbare gegevens. Deze gegevens zijn onvoldoende ter onderbouwing van het standpunt dat appellant ten tijde in geding werkzaamheden heeft verricht die een beletsel vormden voor bijstandsverlening.

4.10.

Uit 4.8 en 4.9 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van inkomsten uit werkzaamheden.

4.11.

Gelet op 4.6 tot en met 4.10 was het college niet bevoegd om met toepassing van

artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand van appellant in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van bijstand van hem terug te vorderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak 1 dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Voorts bestaat aanleiding om de besluiten 1 en 2 te herroepen. Deze besluiten berusten immers op dezelfde onjuist gebleken grondslag en het is niet aannemelijk dat dit gebrek kan worden hersteld.

4.12.

Hieruit vloeit tevens voort dat het college niet op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd was de kosten van de over de periode in geding aan appellant verleende bijstand mede van appellante terug te vorderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak 2 dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Voorts bestaat aanleiding om het besluit 3 te herroepen. Dit besluit berust immers op dezelfde onjuist gebleken grondslag en het is niet aannemelijk dat dit gebrek kan worden hersteld.

4.13.

Het verzoek van appellant om een veroordeling tot het vergoeden van schade komt voor toewijzing in aanmerking in zoverre dat het college de wettelijke rente dient te betalen voor zover de terugvordering reeds is geëffectueerd en tot terugbetaling is overgegaan.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 2.922,-, voor verleende rechtsbijstand. Daarnaast bestaat aanleiding heeft college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 2.922,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de besluiten van 8 mei 2012 en 14 mei 2012 gegrond en vernietigt die besluiten;

  • -

    herroept de besluiten 1, 2 en 3 van 9 november 2011;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van in totaal

€ 5.844,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 314,- vergoedt;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding toe zoals onder 4.13 is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

sg