Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
12-1763 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1763 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

27 februari 2012, 10/500 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J.M. van den Bos-Ackermans, werkzaam bij

ARAG-rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2013. Namens appellant is

mr. Van den Bos-Ackermans verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 november 2009 heeft het Uwv geweigerd appellant per 22 mei 2009 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.

1.2. Bij besluit van 22 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 19 november 2009 ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft aanleiding gezien psychiater dr. C.C. Kan als deskundige in te schakelen. Kan heeft de rechtbank een rapportage, gedateerd 25 oktober 2011, toegestuurd. Kan is van mening dat bij appellant sprake is van een chronische aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming gesuperponeerd op een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en ontwijkende kenmerken. De voor appellant geldende beperkingen kunnen wetenschappelijk gezien een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van een ziekte of gebrek. Kan heeft zich niet geheel met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

4 maart 2009 kunnen verenigen en heeft te kennen gegeven op welke onderdelen de belastbaarheid anders moet worden vastgesteld.

Beide partijen hebben hierop gereageerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens op

10 november 2011 een nieuwe FML opgesteld. Dit heeft ertoe geleid dat van de zes geselecteerde functies er één is komen te vervallen. Het arbeidsongeschiktheidpercentage blijft evenwel onder de 35.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort samengevat - overwogen dat volgens vaste rechtspraak een bestuursrechter de conclusies van een door hem ingeschakelde deskundige dient te volgen, tenzij er reden is om van deze hoofdregel af te wijken. In dit geval heeft de rechtbank hier geen aanleiding toe gezien. De bezwaarverzekeringsarts heeft terecht en op juiste wijze de FML aangepast. Ook de arbeidskundige grondslag is juist. Het eindresultaat is in overeenstemming met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de anderszins daaraan te stellen eisen.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd zich niet te kunnen vinden in de bevindingen van Kan. Hij stelt meer beperkt te zijn. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met zijn psychische beperkingen. Hij verwijst naar hetgeen hij in beroep en ter zitting heeft aangevoerd ten aanzien van de expertise. Appellant heeft bij schrijven van 13 augustus 2013 twee rapporten ingediend. Het eerste rapport is afkomstig van psychiater J.K. van der Veer, gedateerd 27 maart 2013, die - samengevat - van mening is dat er bij appellant sprake is van psychische beperkingen in het cognitieve domein en ten aanzien van sociale interacties. Hij kan niet vaststellen of deze beperkingen op de in geding zijnde datum van 22 mei 2009 ook al aanwezig waren, maar hij acht het wel voorstelbaar. Het tweede rapport is afkomstig van

mr. G.J. Kruithof verzekeringsarts/Medisch Adviseur R.G.A./Reg. gerechtelijk deskundige, gedateerd 20 juli 2013. Kruithof is van mening dat appellant meer beperkt is dan in de FML van 4 maart 2009 is aangenomen en dat er na de datum in geding sprake is geweest van een toename van de beperkingen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Op grond van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De rechtbank heeft terecht de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundigen is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. De Raad acht hierbij van belang dat zowel Van der Veer als Kruithof niet hebben vastgesteld hoe de medische situatie van appellant op de datum in geding was. Beiden geven aan dat de situatie is verslechterd. Voorts komen de opvattingen van de beide deskundigen in grote lijnen overeen met de opvatting van Kan. In de FML zoals Van der Veer die voorstelt zijn op enkele punten meer beperkingen opgenomen dan in de FML zoals die door het Uwv is opgesteld, maar op andere punten minder. Daarnaast zijn beide deskundigen niet uitgegaan van de juiste FML van 10 november 2011 maar van de verouderde FML van 4 maart 2009.

4.3.

De Raad is voorts van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn.

5.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) K.E. Haan

HD