Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
12-3096 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige gronsdslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3096 WIA

Datum uitspraak: 16 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 april 2012, 11/3970 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R. Jaarsma, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere medische stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jaarsma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant is op 26 augustus 2008 wegens schouder- en psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als glaszetter. Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 13 november 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft zich daarbij mede gebaseerd op een psychiatrische expertise verricht door G.E.A. de Waard, werkzaam bij Psyon te Amsterdam. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 7 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv door middel van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts invulling heeft gegeven aan de op hem rustende bewijslast om, bij betwisting daarvan, aannemelijk te maken dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist is vastgesteld. Wanneer appellant van mening is dat de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts niet juist is, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van appellant gelegen om dit met medische gegevens van een (behandelend) arts aan te tonen. De enkele brief van de behandelend psychiater, welke reeds is meegenomen in de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts, biedt daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant juist is vastgesteld.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn, met name psychische, beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte een meerwaarde wordt toegekend aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts ten opzichte van het oordeel van de behandelend psychiater. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nog nadere medische stukken overgelegd. Nu de behandelend psychiater en de door het Uwv geraadpleegde psychiater een ander standpunt ten aanzien van zijn belastbaarheid per datum in geding hebben ingenomen, had de rechtbank een deskundige moeten raadplegen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de door appellant in beroep ingediende gronden tegen het bestreden besluit niet slagen en dat de (psychische) belastbaarheid van appellant juist is vastgesteld. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht is in essentie gelijk aan de gronden in beroep. De overgelegde medische informatie omvat geen nieuwe medische informatie die een ander licht doet schijnen op appellants psychische gesteldheid op de datum hier in geding. De Raad ziet geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 15 maart 2011 zijn de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend. In de rapporten van de arbeidsdeskundige van 7 september 2011 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 oktober 2011, zijn de in de resultaat functiebelasting van de geduide functies voorkomende signaleringen afdoende toegelicht.

4.4.

Gelet op de overwegingen 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van

J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) J.C. Hoogendoorn

JvC