Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
12-6082 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gestolen geld. Verplichting tot terugbetaling uit onrechtmatige daad. Vermogen waarover feitelijk kan worden beschikt.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 34
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 83
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/287
BA 2014/162
RSV 2014/204
NJB 2014/1540
JWWB 2014/229

Uitspraak

12/6082 WWB, 12/6083 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

28 september 2012, 12/1592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep aangetekend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van de Wiel heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2014. Namens appellanten is

mr. Van de Wiel verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C.N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 10 september 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een vermogenssignaal van de Belastingdienst dat op twee bankrekeningen van appellant op 31 december 2008 in totaal € 21.084,- aan tegoeden stond, hebben een casemanager en een consulent buitendienst, werkzaam bij het team Bijzonder Onderzoek van de gemeente Eindhoven, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit het opvragen van afschriften van de beide bankrekeningen en het verhoor van appellant. Daarbij is geconstateerd dat in de periode van 29 december 2008 tot en met 5 januari 2009 vier bedragen van in totaal € 108.230,- van de bankrekening van de[stichting] zijn overgeschreven naar de bankrekeningen van appellant en dat in die periode van die beide rekeningen geldopnames hebben plaatsgevonden van in totaal ruim € 90.000,-. Appellant heeft daarover verklaard dat hij kans heeft gezien zich gelden van de stichting, waar zijn broer werkzaam was, toe te eigenen en dat hij daartoe is overgegaan omdat hij gokschulden had. Tevens heeft appellant verklaard dat hij van de toegeëigende gelden € 40.000,- heeft aangewend om zijn gokschuld af te lossen en dat hij de resterende bedragen, behoudens een bedrag van circa € 13.000,-, heeft vergokt. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 mei 2011.

1.3.

Deze onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 mei 2011 de bijstand van appellanten met ingang van 29 december 2008 in te trekken op de grond dat, kort gezegd, zij in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen opgave hebben gedaan dat zij vanaf die datum beschikten over een vermogen dat hoger is dan het vrij te laten vermogen. Bij besluit van 22 juni 2011 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 29 december 2008 tot en met 31 maart 2011 tot een bedrag van € 39.532,24 van appellanten teruggevorderd.

1.4.

Appellanten hebben tegen de besluiten van 23 mei 2011 en 22 juni 2011 bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase hebben appellanten een vonnis van de rechtbank

’s-Hertogenbosch van 11 februari 2010 in de strafzaak tegen appellant overgelegd. Bij dat vonnis is de vordering van de stichting als benadeelde partij om appellant te veroordelen tot vergoeding van geleden schade toegewezen.

1.5.

Bij besluit van 24 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten in zoverre gegrond verklaard dat de intrekking van bijstand wordt gehandhaafd over de periode van 29 december 2008 tot 11 februari 2010 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 18.621,21 van appellanten worden teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellanten in de periode van 29 december 2008 tot 24 februari 2009 hebben beschikt over een vermogen dat hoger was dan het vrij te laten vermogen en dat zij om die reden geen recht op bijstand hadden. Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de opgenomen bedragen zijn aangewend zoals appellant heeft opgegeven en dat zij vanaf laatstgenoemde datum daarover niet hebben beschikt, zodat het recht op bijstand over de periode van 24 februari 2009 tot 11 februari 2010 niet kan worden vastgesteld. Het college heeft geen aanleiding gezien de door appellanten in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand te vergoeden, omdat appellanten niet eerder dan tijdens de bezwaarschriftprocedure het vonnis van de strafrechter van 11 februari 2010 hebben overlegd, dat aanleiding is geweest tot gedeeltelijke herroeping van de primaire besluiten. Daarom is geen sprake van een herroeping wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat appellanten nimmer hebben beschikt over in aanmerking te nemen vermogen omdat appellant, zoals hij steeds heeft toegegeven, zich het geld van de stichting onrechtmatig heeft toegeëigend. Daarom is sprake van een onrechtmatige daad en is voor appellant ingevolge artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege de verplichting ontstaan de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Ingevolge artikel 6:83 van het BW ontstaat de verplichting direct, zonder dat daarvoor enige handeling van de benadeelde is vereist. Appellanten zijn, subsidiair, van mening dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat appellant met de opgenomen bedragen zijn gokschuld heeft afgelost en dat hij het resterende bedrag binnen de kortste keren aan gokken heeft gespendeerd. Aan de hand van gegevens van behandelaars en een reclasseringsadvies is immers aangetoond dat appellant destijds verslaafd was aan gokken en dat hij, als hij wat geld had, de drang om te gokken niet kon weerstaan. Ten slotte hebben appellanten aangevoerd dat het college ten onrechte de in bezwaar gemaakte kosten niet heeft vergoed. Van de zijde van het college is niet, ook niet tijdens het verhoor van appellant, gevraagd om stukken waaruit een terugbetalingsverplichting zou voortvloeien, terwijl wel bekend was dat appellant strafrechtelijk was veroordeeld. Naar de mening van appellanten voert het te ver om van hen te verwachten dat zij uit zichzelf zouden beseffen dat het betreffende vonnis van 11 februari 2010 van belang was.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het tegoed op de bankrekening van appellant bij de ING in de periode van 29 december 2008 tot en met 23 februari 2009 de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Evenmin is in geschil dat appellanten aan het college geen opgave hebben gedaan van de bijschrijvingen van in totaal € 108.230,- eind december 2008/begin januari 2009.

4.2.

Het standpunt van appellanten dat zij per 29 december 2008 niet hebben beschikt over in aanmerking te nemen vermogen, omdat appellant verplicht is de schade te vergoeden die hij als gevolg van zijn onrechtmatige daad de stichting heeft berokkend, wordt, voor de toepassing van de WWB, niet onderschreven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1.

In de eerste plaats is in de gedingstukken geen steun te vinden voor het standpunt dat appellant steeds heeft toegegeven dat hij zich het geld van de stichting onrechtmatig heeft toegeëigend. Appellant heeft kennelijk niet uit eigen beweging de verplichting op zich genomen om de stichting de schade te vergoeden die zij als gevolg van de diefstal door appellant heeft geleden. Daarbij wordt nog opgemerkt dat appellant hoger beroep heeft aangetekend tegen het strafvonnis van 11 februari 2010, waaruit valt af te leiden dat hij zich niet, althans niet volledig, kon verenigen met dit vonnis. Het hoger beroep in de strafzaak heeft op het onderdeel hier van belang niet tot een voor appellant andere uitkomst geleid.

4.2.2.

Bij de vermogensvaststelling in de zin van de WWB wordt in beginsel uitgegaan van de feitelijk aanwezige bezittingen. Dat betekent bijvoorbeeld dat met schulden pas rekening wordt gehouden wanneer is komen vast te staan dat de betrokkene ook daadwerkelijk tot terugbetaling verplicht is. Voor de toepassing van de WWB is daarom niet voldoende dat de verplichting tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig daad civielrechtelijk van rechtswege ontstaat en dat daarbij een ingebrekestelling niet is vereist. Pas bij het meergenoemde vonnis van 11 februari 2010 is komen vast te staan dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en dat hij de toegebrachte schade aan de stichting dient te vergoeden tot het in dat vonnis genoemde bedrag. Gelet op het voorgaande kan niet worden gesproken van een situatie waarin op appellant reeds op een datum vóór 11 februari 2010 jegens de stichting een reële, daadwerkelijke en in omvang bepaalde verplichting tot betaling van schadevergoeding is komen te rusten. Met dat vonnis is een einde gekomen aan de onzekerheid die bestond wat betreft de precieze omvang van de van rechtswege bestaande schadeplichtigheid.

4.2.3.

Het beroep van appellanten op de uitspraak van de Raad van 25 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7708, leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak ziet specifiek op aansprakelijkheid voor onrechtmatige besluiten van een bestuursorgaan. Ook in die uitspraak is, voor de toepassing van de WWB, geen steun te vinden voor het standpunt van appellant dat het enkele feit van de onrechtmatige daad (in dit geval de diefstal) meebrengt dat sprake is van een reële, bij de beoordeling van het vermogen in de zin van de WWB in aanmerking te nemen schuld.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2.3 volgt dat appellanten voor de toepassing van de WWB in de periode van 29 december 2008 tot 24 februari 2009 geacht moeten worden te hebben beschikt over een vermogen dat groter was dan het vrij te laten vermogen, zodat zij in die periode geen recht op bijstand hadden.

4.4.

Het subsidiaire standpunt van appellanten dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanaf 24 februari 2009 niet langer hebben beschikt over in aanmerking te nemen vermogen, kan evenmin worden onderschreven. Voor de lezing van appellant dat hij onder bedreiging

€ 40.000,- heeft betaald om zijn gokschuld, die volgens appellant oorspronkelijk € 20.000,- bedroeg, af te lossen, is geen enkele onderbouwing geleverd. Dat appellant in zeer korte tijd het resterende bedrag van circa € 50.000,- heeft vergokt, berust eveneens uitsluitend op de lezing van appellant. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten, desgevraagd, meegedeeld dat appellant niet meer weet wanneer en waar hij destijds heeft gegokt en welke bedragen daarmee waren gemoeid. Niet gebleken is dat appellant daartoe om medische reden of om andere redenen niet in staat is. De omstandigheid dat appellant een behandeling heeft ondergaan voor zijn gokverslaving en de reclasseringsmedewerker heeft gerapporteerd dat appellant, als hij wat geld had, de drang om te gokken niet kon weerstaan, is onvoldoende om aan te nemen dat hij genoemd bedrag in korte tijd aan gokken heeft besteed. Bovendien heeft op de bankrekening van appellant bij de ING tot 24 februari 2009 nog een bedrag van ruim

€ 12.000,- gestaan dat op initiatief van de bank is overgeschreven naar de stichting. Tijdens zijn verhoor heeft appellant verklaard dat hij het bedrag van circa € 13.000,- niet van zijn rekening wilde halen. Daardoor is niet aannemelijk dat appellant al zijn geld heeft vergokt omdat hij daaraan geen weerstand kon bieden. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellanten over de periode van 24 februari 2009 tot 11 februari 2010 niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient het bestuursorgaan de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, te vergoeden voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in de omstandigheden van appellanten niet aan de voorwaarden voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand is voldaan. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rust op appellanten de verplichting om het college onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand. Appellanten hebben nagelaten het college onverwijld te informeren over het vonnis van 11 februari 2010. Tijdens zijn verhoor heeft appellant bestreden dat hij verplicht was het college over de diefstal en de daarmee samenhangende geldstromen te informeren. De omstandigheid dat het college na het verhoor van appellant ermee bekend was dat appellant zich eind 2008/begin 2009 schuldig heeft gemaakt aan diefstal, wil niet zeggen dat het college ook had moeten weten dat appellant bij vonnis van 11 februari 2010 tot betaling van schadevergoeding was veroordeeld. Appellanten hebben dit vonnis eerst in de bezwaarprocedure onder de aandacht van het college gebracht, dat daarin aanleiding heeft gezien de besluiten van 23 mei 2011 en 22 juni 2011 deels te herroepen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens

HD