Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
13-1985 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige belasting teruggave in verband met eigen woning bezit bij de berekening van de bijzondere bijstand terecht op totale woonkostentoeslag in mindering gebracht. Voorlopige belasting teruggave is inkomen over de periode waarop die teruggave betrekking heeft (ECLI:NL:CRVB:2011:BU1590). Belasting teruggave anders dan huurtoeslag geen voorliggende voorziening die op de woonlasten in mindering moet worden gebracht. Aard en doel voorlopige teruggave en huurtoeslag verschilt. Voorlopige teruggave vindt plaast omdat de eigen woning fiscaal wordt beschouwd als bron van inkomsten uit vermogen en huurtoeslag is een bijdrage in de huurkosten van een woning. Geen schending van het vertrouwensbeginsel. In het verleden wel in mindering brengen van de teruggave op de woonlasten mag niet het vertouwen worden ontleend dat dat ook in de toekomst gebeurt. Geen schending rechtszekerheids- of gelijkheidsbeginsel; WWB wordt gedecentraliseerd uitgevoerd en is verschillende uitvoering door gemeenten mogelijk. Niet gebleken dat door de gehanteerde rekenmethode het inkomen van appellant in de relevante periode beneden de belastingvrije voet komt.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 15
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 32
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/290
JWWB 2014/214

Uitspraak

13/1985 WWB

Datum uitspraak: 15 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

14 maart 2013, 12/1924 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E. Nijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Schriemer, advocaat en opvolgend gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant bezit een eigen woning waarop een hypotheek rust. Op 13 januari 2012 heeft appellant bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd in de vorm van woonkostentoeslag.

1.2.

De Belastingdienst heeft in een voorlopige aanslag inkomstenbelastingen en premie volksverzekeringen over het jaar 2012 van 16 januari 2012 vastgesteld dat appellant in verband met de hypotheekrenteaftrek recht heeft op een teruggave van een bedrag van

€ 2.012,-, te ontvangen in maandelijkse termijnen.

1.3.

Bij besluit van 1 maart 2012 heeft het college, appellant over de periode 1 februari 2012 tot en met 31 januari 2013 bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag toegekend tot een bedrag van € 142,02 per maand. Blijkens de bijlage bij dit besluit zijn de in aanmerking te nemen woonlasten berekend op € 680,75 per maand en de totale woonkostentoeslag op € 309,69 per maand. Vervolgens is de voorlopige teruggave, die

€ 167,67 per maand bedraagt, op de totale woonkostentoeslag van € 309,69 per maand in mindering gebracht wat leidt tot het bedrag van € 142,02.

1.4.

Bij besluit van 3 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat de voorlopige belastingteruggave moet worden aangemerkt als inkomen over de periode waarop deze betrekking heeft. Gelet daarop moet de voorlopige teruggave niet op de in aanmerking te nemen woonlasten, maar op de totale woonkostentoeslag in mindering worden gebracht.

2.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In het tweede lid van dit artikel, aanhef en onder f, is, voor zover hier van belang, bepaald dat niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend de teruggave van inkomstenbelasting op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend.

4.2.

Artikel 32, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze een voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting betreffen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.3.

Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.4.

In geschil is uitsluitend de vraag of het college bij de berekening van de bijzondere bijstand de voorlopige belastingteruggave terecht niet op de in aanmerking te nemen woonlasten, maar op de totale woonkostentoeslag in mindering heeft gebracht.

4.5.

Uit de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB volgt dat de onderhavige voorlopige belastingteruggave niet valt onder de hierin neergelegde uitzondering en dat deze daarom behoort tot de voor bijstandsverlening in aanmerking te nemen middelen. Zoals de Raad daarom eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1590) moet de voorlopige teruggave inkomstenbelasting op grond van artikel 32, eerste lid, van de WWB als inkomen worden toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. Dit betekent dat het college bij de berekening van de bijzondere bijstand de voorlopige teruggave terecht als inkomen heeft aangemerkt en op de totale woonkostentoeslag in mindering heeft gebracht.

4.6.

De beroepsgrond dat de voorlopige belastingteruggave, net als de huurtoeslag, als een voorliggende voorziening moet worden aangemerkt en dat deze om die reden op de in aanmerking te nemen woonlasten in mindering had moeten worden gebracht, slaagt niet. Nog daargelaten dat ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB, geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die toereikend en passend is, gaat een vergelijking met de huurtoeslag, anders dan appellant betoogt, niet op omdat aard en doel van de voorlopige teruggave en de huurtoeslag verschillend zijn. Een voorlopige teruggave vindt plaats omdat de eigen woning fiscaal wordt beschouwd als een bron van, positieve of negatieve, inkomsten uit vermogen, terwijl het toekennen van huurtoeslag moet worden gezien als een bijdrage in de huurkosten van een woning.

4.7.

Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Blijkens de gedingstukken wordt de bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag steeds per jaar toegekend, met inachtneming van de geldende regelgeving en de feitelijke situatie. Aan de omstandigheid dat het college in voorgaande jaren de belastingteruggave wel op de in aanmerking te nemen woonlasten in mindering heeft gebracht, kon appellant niet het vertrouwen ontlenen dat die gedragslijn ook in de toekomst ongewijzigd zou worden voortgezet.

4.8.

Het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt ook niet. Dat de gemeenten Apeldoorn en Utrecht, naar appellant betoogt, een andere wijze van berekening van de bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag volgen, betekent niet dat het bestreden besluit in strijd komt met de rechtszekerheid of het gelijkheidsbeginsel. De WWB voorziet in een gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven.

4.9.

De stelling van appellant dat als gevolg van de thans door het college gevolgde berekeningswijze het inkomen van appellant beneden de beslagvrije voet uitkomt, treft evenmin doel. Dat dit in de hier van belang zijnde periode het geval zou zijn, blijkt niet uit de stukken die appellant op dit punt heeft overgelegd. Ook overigens is hiervan niet gebleken.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

HD