Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2381

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
13-2563 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Uit relatie zijn kinderen geboren. Schending inlichtingenverplichting. Periode 1) Toereikende grondslag voor het standpunt dat appellante en appellant hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, te weten de woning van appellante. Periode 2) Geen toereikende grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2563 WWB, 13/2868 WWB

Datum uitspraak: 15 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 april 2013, 12/5904 en 12/6660 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante) en [appellant] te [woonplaats 2] (appellant)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.E.C. Segeren-Krijnen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. M.J.E.M. Edelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft verweerschriften ingediend.

De commissie heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 juni 2014. Daarbij zijn de zaken ter behandeling gevoegd. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Edelman. De commissie heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. Als getuige, opgeroepen in de zaak 13/2868, is gehoord [naam getuige].

OVERWEGINGEN

1.De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving na de ontbinding van haar huwelijk met appellant met ingang van

5 november 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. Appellante stond ten tijde in geding ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [adres 1]. Appellant heeft in de GBA vanaf 18 oktober 2005 ingeschreven gestaan op verschillende adressen in de gemeente [naam gemeente]. Sinds 16 juni 2011 stond hij ingeschreven op het adres [adres 2].

1.2. Naar aanleiding van een melding in het kader van het project Onrechtmatige Bewoning dat op het adres [adres 2] niemand zou verblijven, is dit adres bezocht door onder meer een buitengewoon opsporingsambtenaar van de afdeling Toezicht en handhaving, team Fraude en samenleving van de directie Dienstverlening van de gemeente Breda (buitengewoon opsporingsambtenaar). De buitengewoon opsporingsambtenaar heeft nog diezelfde dag een waarneming verricht bij het adres van appellante, waar de auto van appellant voor de flat werd aangetroffen. Vervolgens is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de buitengewoon opsporingsambtenaar dossieronderzoek verricht, gegevens uit registers geraadpleegd en informatie ingewonnen bij twee uitzendbureaus. Verder heeft hij in de periode van

18 april 2012 tot en met 8 mei 2012 waarnemingen verricht en op 22 mei 2012 op het adres van appellante een onaangekondigd huisbezoek afgelegd. Appellante en appellant zijn op

24 mei 2012 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 5 juni 2012.

1.3. De commissie heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 28 juni 2012, gericht aan appellante en aan appellant, de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2012 in te trekken en voorts de bijstand van appellante over de periode van 1 juni 2011 tot 1 mei 2012 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.519,60 van appellante terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. Aan dit besluit heeft de commissie ten grondslag gelegd dat appellante per

1 juni 2011 een gezamenlijke huishouding voert met appellant zonder daarvan aan de commissie mededeling te doen.

1.4. Bij besluit van 17 oktober 2012 (bestreden besluit van 17 oktober 2012) heeft de commissie het tegen het besluit van 28 juni 2012 door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 18 oktober 2012 (bestreden besluit van 18 oktober 2012) heeft de commissie het tegen het besluit van 28 juni 2012 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit het rapport van

5 juni 2012 voldoende blijkt dat appellante en appellant in de relevante periode beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en heeft voor dat oordeel doorslaggevende betekenis toegekend aan de door appellante en appellant op 24 mei 2012 tegenover de buitengewoon opsporingsambtenaar afgelegde verklaringen.

3.

Appellante en appellant hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aangezien aan appellante opnieuw bijstand is verleend met ingang van 26 juni 2012, loopt de hier te beoordelen periode wat betreft de intrekking van 1 juni 2011 tot 26 juni 2012.

4.2.

De besluiten tot intrekking, terugvordering en medeterugvordering van bijstand zijn belastende besluiten, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking, terugvordering en medeterugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. Aangezien uit het huwelijk van appellante en appellant twee kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en appellant hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4.

Appellante en appellant stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5.1.

De commissie heeft voor de conclusie dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante groot gewicht toegekend aan de verklaringen van appellante en appellant en de rechtbank heeft bij haar oordeel dat voldoende blijkt van gezamenlijk hoofdverblijf aan die verklaringen een doorslaggevende betekenis toegekend.

4.5.2.

Appellante heeft op 24 mei 2012, voor zover van belang, het volgende verklaard, waarbij zij met [appellant] appellant bedoelt:

“ U vraagt mij hoe vaak [appellant] bij mij komt. Ik verklaar u dat hij bijna iedere dag bij mij komt. U vraagt mij sedert wanneer dat is. Ik denk dat dat sedert een jaar is. Sedert twee jaar hebben wij weer contact met elkaar. U vraagt mij wanneer hij dan komt en hoe lang. Sinds hij werk heeft komt hij altijd na afloop van zijn werk naar mij en vertrekt hij ook vanaf mijn woning naar zijn werk. (…) Ik kan u verklaren dat hij sedert een jaar de sleutel heeft van mijn woning en dus altijd mijn woning in kan. Hij komt dus iedere dag. Hij komt na zijn werk naar mijn woning en gaat weer weg wanneer hij de volgende dag weer gaat werken. Voor [appellant] ging werken kwam hij nog vaker bij mij. (…) U vraagt naar de fiets waarop [appellant] wel eens naar zijn werk gaat. Ik verklaar u dat deze fiets in mijn berging staat beneden. (…) U vraagt mij nogmaals waar [appellant] de meeste tijd verblijft. Ik verklaar u dat dat bij mij is. Hij gaat vanaf mijn woning naar zijn werk en komt na zijn werk terug bij mij zoals ik u al verklaarde.”

4.5.3.

Appellant heeft op 24 mei 2012, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“ U vraagt mij hoe vaak ik bij mijn ex-vrouw in huis ben. Ik verklaar u dat ik het merendeel van de week bij haar in huis ben. (…) U zegt mij dat u mij altijd ziet vertrekken vanaf de woning van mijn ex-vrouw naar mijn werk. Ik verklaar u dat dat klopt. (…) Na mijn werk ga ik ook meestal terug naar de [adres 1]voor de kinderen. U vraagt waar ik meestal slaap. Ik verklaar u dat dat aan de[adres 1] is. (…) Het merendeel van mijn tijd ben ik echter bij mijn kinderen aan de[adres 1]. (…)

U vraagt mij hoe lang deze situatie al zo is dat ik het merendeel van de tijd, van de week, aan de [adres 1] mijn hoofdverblijf heb. Ik verklaar u dat wij sinds ruim twee jaar weer contact hebben met elkaar vanwege de kinderen. Dit is na het overlijden van haar vader. Sedert een jaar ongeveer verblijf ik wel de meeste tijd bij haar en kom ik er bijna dagelijks. Ik verklaar u dat ik daar bij mijn ex-vrouw alleen maar kom vanwege de kinderen en niet vanwege haar.”

4.5.4.

In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat haar verklaring niet correct schriftelijk is vastgelegd en dat appellant sinds februari 2012 bij haar thuis komt. Hij komt en gaat dan, maar verblijft niet bij haar. Ter zitting heeft zij benadrukt dat haar verklaring niet ziet op de gehele periode in geding, maar op de situatie vanaf februari 2012. Toen appellant is gaan werken, kwam hij bij haar thuis.

4.5.5.

Appellant heeft ter zitting erkend dat de situatie vanaf eind februari 2012 en dus per

1 maart 2012 zodanig was dat sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante. Deze situatie is eerst ontstaan vanaf het moment dat hij is gaan werken.

4.6.

Gelet ook op het verhandelde ter zitting ziet de Raad aanleiding bij de beoordeling onderscheid te maken in twee perioden, de periode van 1 juni 2011 tot de aanvang van de werkzaamheden van appellant en de periode daarna. Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij aanvankelijk een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving en dat hij op

7 januari 2012 is gaan werken, zodat de laatstbedoelde periode loopt van 7 januari 2012 tot

26 juni 2012.

4.7.1.

De rechtbank heeft voor de periode van 7 januari 2012 tot 26 juni 2012 terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van de commissie dat appellante en appellant hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, te weten de woning van appellante.

4.7.2.

Zoals blijkt uit de onder 4.5.2 en 4.5.3 weergegeven verklaringen hebben immers zowel appellante als appellant verklaard dat appellant vanuit de woning van appellante naar zijn werk vertrekt en dat hij na zijn werk (meestal) teruggaat naar dat adres. Appellante heeft in dat verband verklaard dat appellant de meeste tijd bij haar verblijft. Appellant heeft verklaard dat hij meestal slaapt aan de [adres 1]. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting ook bevestigd dat vanaf het moment dat appellant is gaan werken, de situatie wel zo was dat hij overwegend verblijf hield bij appellante.

4.7.3.

De waarnemingen die zijn verricht in de periode van 18 april 2012 tot en met

8 mei 2012 ondersteunen het standpunt van de commissie dat appellant bij appellante zijn hoofdverblijf had. Tijdens deze waarnemingen werd gezien dat appellant iedere dag vanuit de woning van appellante naar zijn werk ging, meestal met de auto en soms op de fiets vanuit het souterrain onder de flat. Ook werd gezien dat hij na werktijd bijna altijd weer terugging naar de woning van appellante en daar met een eigen sleutel deze woning binnenging. Bovendien werd appellant bij het op 22 mei 2012 afgelegde huisbezoek in de woning van appellante aangetroffen.

4.7.4.

Dat appellant vanaf 7 januari 2012 hoofdverblijf had in de woning van appellante, ligt ook in lijn met de verklaring van het GGZ van 19 september 2012 dat appellante in januari 2012 is gestart met een individuele systeembehandeling en dat zij toen het advies heeft opgevolgd om voor haar behandeling zoveel mogelijk een appèl te doen op mensen in haar omgeving, zoals de vader van haar twee oudste kinderen, en in lijn met de ter zitting door

[naam getuige] afgelegde verklaring dat hij tot februari 2012 voor zijn zuster heeft gezorgd, dat dit op een gegeven moment niet meer mogelijk was vanwege de lange reistijd en dat hij toen appellant de sleutel van de woning van appellante heeft gegeven, zodat hij die zorg kon overnemen.

4.7.5.

Uit 4.7.1 tot en met 4.7.4 volgt dat appellante en appellant in de periode van

7 januari 2012 tot 26 juni 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dat appellant enkel bij appellante verbleef vanwege de hulp die hij verleende bij de zorg voor de kinderen, is in dit verband niet relevant. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.8.1.

Anders dan de commissie en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verklaringen van appellante en appellant noch op zichzelf, noch in onderling verband bezien, voldoende grondslag bieden voor het standpunt van de commissie dat appellant gedurende de periode van 11 juni 2011 tot 7 januari 2012 eveneens zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Appellante en appellant hebben beiden weliswaar verklaard dat appellant sedert een jaar bijna iedere dag bij appellante komt, maar deze verklaringen bevatten onvoldoende feitelijke gegevens over de duur en de aard van het dagelijks verblijf bij appellante. Appellant heeft nog verklaard dat hij sedert een jaar ongeveer wel de meeste tijd bij appellante verblijft, maar nog in diezelfde zin in zijn verklaring zegt hij dat hij er bijna dagelijks komt. De verklaring van appellante dat appellant voor hij ging werken nog vaker bij haar kwam dan nu, wordt gevolgd door een opsomming van activiteiten buitenshuis met de kinderen. Deze verklaringen bieden dan ook onvoldoende aanknopingspunten over de duur en de aard van het verblijf van appellant in de woning van appellante om daarop de conclusie te kunnen baseren dat hij gedurende deze periode zijn hoofverblijf had in haar woning. Het onderzoek heeft, anders dan de verklaringen, geen concrete gegevens opgeleverd die zien op de periode van

11 juni 2011 tot 7 januari 2012.

4.8.2.

Uit 4.8.1 volgt dat er geen toereikende grondslag is voor de intrekking en terugvordering van bijstand van appellante over de periode van 11 juni 2011 tot

7 januari 2012 en, hiermee samenhangend, dat evenmin een toereikende basis bestond voor de medeterugvordering van appellant van de kosten van bijstand van appellante.

4.9.

Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting aan de commissie niet gemeld dat zij in de periode van 7 januari 2012 tot 26 juni 2012 met appellant gezamenlijk hoofdverblijf had in haar woning. Aangezien zij in deze periode niet als zelfstandig subject recht op bijstand had, was de commissie bevoegd de bijstand van appellante over deze periode in te trekken. Appellante heeft de wijze waarop de commissie gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid niet bestreden.

4.10.1.

Daarmee is tevens gegeven dat de commissie bevoegd was de aan appellante over de periode van 7 januari 2012 tot 1 mei 2012 verleende bijstand van haar terug te vorderen.

4.10.2.

Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien zijn slechts gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen slechts voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.10.3.

Het oordeel van de rechtbank dat van dringende redenen op grond waarvan de commissie geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering niet is gebleken, wordt onderschreven. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat zij op nadrukkelijk advies van de GGD appellant om hulp heeft gevraagd en dat hij vervolgens de zorgtaken voor de kinderen van haar heeft overgenomen, vormt geen dringende reden in vorenbedoelde zin, omdat deze omstandigheid niet ziet op de gevolgen van de terugvordering. Ook in de aangevoerde persoonlijke omstandigheden, dat zij als alleenstaande ouder de zorg heeft voor vijf kinderen, zijn geen dringende redenen gelegen. Uit de stukken blijkt dat aan appellante ingaande 26 juni 2012 opnieuw bijstand is toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, verhoogd met een toeslag, zodat niet kan worden gezegd dat de terugvordering, waarbij appellante de bescherming heeft van de beslagvrije voet, leidt tot onaanvaardbare consequenties.

4.11.

De commissie was tevens bevoegd de ten behoeve van appellante over de periode van

7 januari 2012 tot 1 mei 2012 gemaakte kosten van bijstand op grond van artikel 59,

tweede lid, van de WWB mede van appellant terug te vorderen. Tegen de wijze van uitoefening van die bevoegdheid heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.12.

De conclusie is dat de bestreden besluiten, voor zover deze zien op de periode van

11 juni 2011 tot 7 januari 2012, onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en niet op een deugdelijke grondslag berusten. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, dienen de aangevallen uitspraken te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit van 17 oktober 2012 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 11 juni 2011 tot 7 januari 2012 en de terugvordering geheel. De Raad zal voorts het bestreden besluit van 18 oktober 2012 op diezelfde grond vernietigen.

4.13.

De Raad ziet tevens aanleiding om het besluit van 28 juni 2012, voor zover het ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 11 juni 2011 tot 7 januari 2012, te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 17 oktober 2012, nu dit besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

4.14.

Aangezien de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie, dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van het begrip gezamenlijke huishouding, zal de commissie worden opgedragen om nieuwe beslissingen op het bezwaar van appellante en op het bezwaar van appellant te nemen. Dat besluit betreft nog uitsluitend de uitwerking van de in 4.12 bedoelde, nader vast te stellen terugvordering en medeterugvordering, alsmede het verzoek van appellant om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

5.

De Raad ziet aanleiding de commissie te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden voor appellante begroot op € 974,- in bezwaar, op € 974,- in beroep en op

€ 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.922,-. Voor appellant worden deze kosten begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het besluit van 17 oktober 2012 voor zover het betreft de intrekking van de

bijstand van appellante over de periode van 11 juni 2011 tot 7 januari 2012 en de

terugvordering geheel;

- herroept het besluit van 28 juni 2012, voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over

de periode van 11 juni 2011 tot 7 januari 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 17 oktober 2012;

- draagt de commissie op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen de

terugvordering te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- vernietigt het besluit van 18 oktober 2012;

- draagt de commissie op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant met

inachtneming van deze uitspaak;

- veroordeelt de commissie in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;

- veroordeelt de commissie in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat de commissie aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt;

- bepaalt dat de commissie aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) O.P.L. Hovens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD