Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
12-4424 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Het feit dat betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor het teruggevorderde bedrag levert geen eigen, rechtstreeks belang op bij het jegens B genomen besluit tot intrekking en terugvordering, waarbij (uitsluitend) het recht op bijstand van B is beoordeeld. Geen rechtsregel brengt mee dat betrokkene in de bestuursrechtelijke procedure inzage zou moeten worden verleend in het volledige strafdossier. Niet in geschil is dat B de biologische vader van de kinderen is. In dat geval is de datum van erkenning van de kinderen niet relevant voor de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/286
RSV 2014/206
NJB 2014/1539

Uitspraak

12/4424 WWB

Datum uitspraak: 15 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 juli 2012, 11/6704 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. Y.A.R. Seen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Dijkman Dulkes-Wan. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Seen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

[naam] (B) ontving vanaf 15 januari 1997, met een onderbreking van 29 mei 2006 tot 3 juli 2006, bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). B staat sinds 15 januari 1988 ingeschreven op het adres [adres 1].

1.2.

Naar aanleiding van de bevindingen van een onderzoek van het bureau fraudebestrijding naar cliënten in de bijstand met een afwijkende toeslag, is het vermoeden gerezen dat B niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres en een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene - in eerste instantie op de[adres 1](eerste adres) en nadien op de [adres 2] (tweede adres) te [adres 2]. Naar aanleiding van dit vooronderzoek heeft de sociale recherche van de gemeente Haarlem een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan B verleende bijstand. Daartoe heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, openbare bronnen geraadpleegd, waaronder de GBA, diverse instanties om inlichtingen verzocht en bankafschriften van betrokkene en B opgevraagd. Verder heeft de sociale recherche B en betrokkene verhoord en enkele buurtbewoners en familieleden als getuigen gehoord. De sociale recherche heeft de bevindingen van het onderzoek vastgelegd in een voorlopig rapport van 16 mei 2011 en in een definitief rapport van 14 september 2011.

1.3.

Appellant heeft op basis van de resultaten van het onderzoek bij besluit van 23 mei 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 december 2011, het recht op bijstand van B over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 28 mei 2006 en van 3 juli 2006 tot en met 20 oktober 2009 (te beoordelen perioden) ingetrokken en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 135.065,66 van hem teruggevorderd. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat B sinds medio 1996 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met betrokkene zonder daarvan melding te maken aan appellant en dat als gevolg daarvan ten onrechte bijstand is verleend. Bij afzonderlijk besluit van 23 mei 2011 heeft appellant het van B terug te vorderen bedrag met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van betrokkene teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 18 november 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene voor zover gericht tegen de intrekking en terugvordering van bijstand van B

niet-ontvankelijk verklaard en ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de medeterugvordering.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 23 mei 2011 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat uit de onderzoeksresultaten van de sociale recherche in beginsel kan worden geconcludeerd dat betrokkene en B in de te beoordelen perioden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is betrokkene er evenwel in geslaagd aannemelijk te maken dat geen sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Betrokkene heeft zowel in bezwaar als in beroep voor verschillende onderzoeksbevindingen een aannemelijke verklaring gegeven, welke verklaring steun vindt in de stukken.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat betrokkene en B in de te beoordelen perioden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak onvoldoende gemotiveerd op welke wijze betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is geweest van een gezamenlijke hoofdverblijf.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat betrokkene die persoon is, is vereist dat betrokkene in de beoordelen perioden met B een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd. Hiervan is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank moet zo worden uitgelegd dat zij op grond van de onderzoeksbevindingen voorshands aannemelijk heeft geacht dat betrokkene en B in de te beoordelen perioden een gezamenlijke huishouding voerden en dat zij onderzocht heeft of betrokkene vervolgens het tegendeel aannemelijk heeft gemaakt. Het standpunt van appellant wordt gedeeld dat de rechtbank niet toereikend heeft gemotiveerd op welke wijze betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat in de te beoordelen perioden geen sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Uit de aangevallen uitspraak, noch uit het proces verbaal van de zitting valt af te leiden op grond van welke uit de onderzoeksbevindingen blijkende feiten of omstandigheden de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. De enkele, door de rechtbank geloofwaardige geachte verklaring van betrokkene is daartoe onvoldoende. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal vervolgens de door betrokkene tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

4.3.

Betrokkene heeft allereerst aangevoerd dat zij rechtstreeks wordt geraakt door het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand van B. Zij is belanghebbende bij dat besluit en haar bezwaren zijn ten onrechte door appellant niet-ontvankelijk verklaard. Deze grond van betrokkene treft geen doel. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (uitspraak van 4 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4933) levert het feit dat betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor het teruggevorderde bedrag geen eigen, rechtstreeks belang op bij het jegens B genomen besluit tot intrekking en terugvordering, waarbij (uitsluitend) het recht op bijstand van B is beoordeeld.

4.4.

Betrokkene heeft voorts aangevoerd dat appellant haar ten onrechte niet het volledige strafdossier ter beschikking heeft gesteld, zodat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant de besluitvorming heeft gebaseerd op de onder 1.2 genoemde rapportages en dat betrokkene van deze stukken kennis heeft genomen. Geen rechtsregel brengt mee dat betrokkene in de bestuursrechtelijke procedure inzage zou moeten worden verleend in het volledige strafdossier. Dat op deze enkele grond sprake zou zijn van onzorgvuldige besluitvorming wordt dan ook niet gevolgd. Overigens wordt hierbij nog opgemerkt dat betrokkene via haar advocaat in de strafprocedure inzage heeft gekregen in het volledige strafdossier en zij de weergave van de bevindingen van het onderzoek in de rapportages van 16 mei 2011 en 14 september 2011 niet heeft betwist. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 11 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0252.

4.5.

Betrokkene heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en van de WWB pas vanaf 25 augustus 2004 - zijnde de datum waarop B de kinderen heeft erkend - van toepassing is. Niet in geschil is dat B de biologische vader van de kinderen is. In dat geval is de datum van erkenning van de kinderen niet relevant voor de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden. Anders dan betrokkene heeft betoogd is de datum van erkenning is slechts van belang indien de erkenner niet de biologische ouder van het kind is. In de wetstekst is immers door het gebruik van het woord “of” het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing verklaard op zowel de situatie dat uit een relatie een kind geboren is als op de situatie dat een van de personen in de relatie het kind van de ander heeft erkend.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat voor de beantwoording van de vraag of betrokkene en B vanaf 6 juli 1997, de geboortedatum van het oudste kind van betrokkene en B, een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd slechts bepalend is of zij in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

4.7.

Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.8.

Anders dan betrokkene heeft betoogd bieden de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen perioden sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Hierbij komt onder meer betekenis toe aan de door betrokkene en B op 20 april 2011 en 21 april 2011 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen. B heeft verklaard dat hij al dertien jaar een relatie heeft met betrokkene en dat hij elke dag bij haar was, zowel op het eerste adres als op het tweede adres. Betrokkene heeft verklaard dat zij sinds 1996 met B samen leeft, dat zij vanaf die tijd op hetzelfde adres verblijven - met uitzondering van de nachtelijke uren - en in elkaars verzorging voorzien. Voorts hebben buurtbewoners in de omgeving van de woning van het tweede adres onafhankelijk van elkaar verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat betrokkene en B, samen met de kinderen, in september 2007 de woning op het tweede adres hebben betrokken. Een kamerhuurder op het eerste adres, die daar in de periode van oktober 1996 tot en met februari 1999 woonachtig was, heeft verklaard dat betrokkene en B in die periode samen op de tweede verdieping van het eerste adres woonden. Familieleden hebben eveneens onafhankelijk van elkaar tegenover de sociale recherche verklaard dat betrokkene en B vanaf 1996 zijn gaan samenwonen op het eerste adres, dat zij elkaar verzorgen en dat zij in september 2007 met het hele gezin zijn verhuisd naar het tweede adres. In dat licht kan aan de in beroep overgelegde

- achteraf opgestelde - verklaringen van de familieleden niet die waarde worden gehecht die betrokkene daaraan gehecht wenst te zien.

4.9.

De gedingstukken bieden eveneens een toereikende grondslag voor het standpunt van appellant dat in de periode van 1 juli 1997 tot 6 juli 1997 is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Zo is tijdens de huiszoeking op 20 april 2011 een spaarcertificaat van [instantie] aangetroffen, afgesloten door betrokkene op 1 juni 1996, met vermelding van B als begunstigde bij overlijden. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat B betrokkene in de betreffende periode heeft bijgestaan bij de zwangerschap/bevalling en aangifte heeft gedaan van de geboorte. Daarnaast biedt de door betrokkene onder 4.8 vermelde verklaring eveneens aanknopingspunten voor het aannemen van wederzijdse zorg.

4.10.

Uit 4.5 tot en met 4.9 volgt dat betrokkene en B in de in de te beoordelen perioden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verlening van gezinsbijstand is niettemin achterwege gebleven omdat B de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Appellant was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan B verleende bijstand mede van betrokkene terug te vorderen.

4.11.

Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant van brutering van de medeterugvordering had moeten afzien, omdat geen sprake is van een vordering die door haar toedoen is ontstaan. De medeterugvordering van betrokkene is een afgeleide van de terugvordering van B, zodat uitsluitend van belang is of appellant ten aanzien van B had moeten afzien van een bruto terugvordering. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 24 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0561) doet die situatie zich voor als sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene (in dit geval: B) en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Nu B de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, is het ontstaan van de vordering aan hem te wijten en hoeft het bijstandverlenend orgaan niet van brutering af te zien. In dat geval is het bijstandverlenend orgaan ook bevoegd om de gebruteerde kosten van bijstand vervolgens mede van betrokkene terug te vorderen en kan niet worden tegengeworpen dat het bijstandverlenend orgaan in redelijkheid van de bevoegdheid tot brutering dient af te zien.

4.12.

Betrokkene heeft voorts aangevoerd dat appellant bij de besluitvorming in redelijkheid geen rekening heeft gehouden met haar belangen en dat er aanleiding bestaat voor matiging van de vordering. Tevens doet zij een beroep op artikel 30 (de hardheidsclausule) van de Beleidsregels terug- en invordering en verhaal Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren (Beleidsregels). Betrokkene heeft hiertoe aangevoerd dat zij al jaren onder druk van B leeft, dat zij geen aandeel heeft in het ontstaan van de vordering en dat zij geen financieel voordeel heeft genoten. In deze door betrokkene aangevoerde omstandigheden heeft appellant, los van het feit dat betrokkene deze omstandigheden niet met concreet, objectief en verifieerbaar bewijs aannemelijk heeft gemaakt, terecht geen aanleiding gezien geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering af te zien.

4.13.

In 4.2 is reeds overwogen dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet op wat onder 4.3 tot en met 4.12 is overwogen zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD