Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2368

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
13-5903 AWBZ-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak. Verantwoording PGB. Menzis heeft kosten ten onrechte niet geaccepteerd omdat deze onder Job coaching vallen. De activiteit werken met de computer is zodanig verweven met de wijze waarop de dagbesteding bij [vestiging 2] feitelijk is vormgegeven, dat deze activiteit daarvan intrinsiek deel uitmaakt. Nu Het Zorgkantoor de kosten van [vestiging 2] heeft geaccepteerd, had zij ook de kosten van [naam] moeten accepteren, temeer nu dezelfde activiteiten ook zijn ondernomen bij de [vestiging 1] en ook die kosten zijn geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/218
ABkort 2014/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 mei 2014

13/5903 AWBZ-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 september 2013, 13/582 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

Zitting hebben: R.M. van Male als voorzitter en G. van Zeben - de Vries en D.S. de Vries als leden

Griffier: E. Heemsbergen

Ter zitting zijn verschenen appellant, bijgestaan door [begeleider], zijn begeleider, en het Zorgkantoor, vertegenwoordigd door mr. B.T.J.A. van Aalst.

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar van 19 april 2013 (bestreden besluit);

- herroept het primaire besluit van 8 november 2012 (primair besluit) voor zover dat

betrekking heeft op de kosten van [naam];

- veroordeelt het Zorgkantoor tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 73,10;

- bepaalt dat het Zorgkantoor het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 162,- dient te vergoeden.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.

Aan appellant is voor het jaar 2012 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een persoonsgebonden budget verleend voor zorg in de vorm van begeleiding in dagdelen met vervoer. Op het digitaal ingezonden formulier verantwoording voor het eerste half jaar van 2012 heeft hij opgegeven dat het budget is besteed aan betaling van de [vestiging 1], [vestiging 2] en [naam]. Het Zorgkantoor heeft bij brief van

8 november 2012 (primair besluit) kennis gegeven van zijn besluit om de kosten van [naam] niet te accepteren omdat deze onder Job coaching vallen. De kosten van [vestiging 2] zijn wel aanvaard. Het Zorgkantoor heeft het bezwaar tegen dit besluit bij bestreden besluit ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor stelt zich op het standpunt dat de activiteiten van [naam] niet kunnen worden aangemerkt als begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Het helpen bij het werken met de computer bevordert niet de zelfredzaamheid van appellant in die zin dat verwaarlozing of opname in een instelling wordt voorkomen. Bovendien gebeurt dit in het kader van het verrichten van werkzaamheden. Voor zover daarbij begeleiding nodig is, valt dit onder verantwoordelijkheid van de werkgever.

2.

Appellant is tegen dit besluit in beroep gegaan bij de rechtbank. In het beroepschrift schrijft hij: “Ik kan mij niet verenigen met deze beslissing, om het bezwaarschrift dat ingediend is als ongegrond te verklaren. Ik ben namelijk van mening dat de Zorg die ik inkoop wel onder/in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ valt. Ik wil een beroepschrift indienen maar heb meer tijd nodig zodat ik meer advies in kan winnen.” De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroepschrift geen beroepsgronden bevat en heeft aan appellant een termijn van vier weken geboden om het verzuim te herstellen. Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn van vier weken, maar eerst daarna aanvullende gronden ingezonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de daarvoor aangevoerde reden, gelegen in de gevolgen van het hersenletsel, niet als verschoonbare reden kan worden aanvaard. Zij heeft daaraan het gevolg verbonden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard op de grond dat het beroepschrift in strijd artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet de gronden van het beroep bevat en dat dit verzuim verwijtbaar niet tijdig is hersteld.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich hiermee niet kan verenigen. Hij heeft om een inhoudelijke beoordeling gevraagd. Aangevoerd is dat hij eerst naar de dagbesteding ging bij de [vestiging 1]. Omdat het reizen te bezwaarlijk werd, is hij dagbesteding gaan ontvangen bij [vestiging 2]. Zowel bij de [vestiging 1] als bij [vestiging 2] kreeg hij hulp bij het omgaan met de computer. Het omgaan met de computer wordt in het kader van de dagbesteding werk genoemd. Veel activiteiten bij de dagbesteding worden in de praktijk werk genoemd. Het Zorgkantoor is daar niet eerder over gevallen. In het kader van de dagbesteding bij [vestiging 2] heeft [naam] ondersteuning geboden bij de activiteit werken met de computer. De kosten van de [vestiging 1] en [vestiging 2] zijn wel geaccepteerd.

4.

Het Zorgkantoor heeft gepersisteerd bij het in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

5.

De Raad is van oordeel dat hetgeen appellant in het beroepschrift bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, onmiskenbaar het aanvoeren van een beroepsgrond als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb is. Wat is aangevoerd, geeft voldoende duidelijkheid omtrent hetgeen partijen verdeeld houdt (vgl. CRvB 27 december 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD8574). In de rechtspraak van de Raad ligt besloten dat aan de motivering van een beroepschrift geen hoge eisen worden gesteld (CRvB 19 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH8663). Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.

6.

De Raad is van oordeel dat de activiteit werken met de computer in dit geval zodanig verweven is met de wijze waarop de dagbesteding bij [vestiging 2] feitelijk is vormgegeven, dat deze activiteit daarvan intrinsiek deel uitmaakt. Nu Het Zorgkantoor de kosten van [vestiging 2] heeft geaccepteerd, had zij ook de kosten van [naam] moeten accepteren, temeer nu dezelfde activiteiten ook zijn ondernomen bij de [vestiging 1] en ook die kosten zijn geaccepteerd.

7.

Dit betekent dat in het bestreden besluit ten onrechte is beslist dat de ondersteuning door [naam] geen begeleiding als bedoeld in artikel 6 Besluit zorgaanspraken AWBZ is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet. Hiermee is tevens gegeven dat het primaire besluit, dat op hetzelfde standpunt berust, dient te worden herroepen voor zover dit betrekking heeft op de kosten van [naam].

8.

Het Zorgkantoor wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Deze bedragen voor reiskosten in beroep € 13,84 en voor reiskosten in hoger beroep

€ 59,26, in totaal € 73,10.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) E. Heemsbergen (getekend) R.M. van Male

TM