Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
13-1978 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, terugvordering en verlaging bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1978 WWB, 13/1979 WWB

Datum uitspraak: 15 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
13 maart 2013, 12/4416 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Velsen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.P. Spanjer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellanten zijn nadere stukken ingediend.

Het college heeft hierop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 juni 2014. Namens appellanten is mr. Spanjer verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 13 juli 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Het college heeft bij besluit van 31 augustus 2007 de bijstand van appellanten over de periode 13 juli 2006 tot en met 31 maart 2007 herzien op de grond dat zij in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting hadden verzuimd om het college te informeren over kasstortingen op de bankrekening van appellant. Tevens heeft het college bij dat besluit bij wijze van maatregel de bijstand verlaagd met 20% gedurende een maand. Hiertegen hebben appellanten geen rechtsmiddel aangewend. Bij besluit van

29 oktober 2007 heeft het college de kosten van de ten gevolge van de herziening ten onrechte verleende bijstand van appellanten teruggevorderd. Dit besluit is na bezwaar, beroep en hoger beroep in rechte komen vast te staan.

1.2.

Op 3 mei 2011 hebben appellanten een hercontrole-formulier bij het college ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft het college nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer bankafschriften bij appellanten opgevraagd en zijn appellanten gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 juni 2011 en een rapport van 2 januari 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

2 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten te herzien over de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2011 en de kosten van over die periode ten onrechte verleende bijstand van hen terug te vorderen tot een bedrag van € 5.081,90. Tevens heeft het college daarbij de bijstand bij wijze van maatregel verlaagd met 100% gedurende een maand, van 1 februari 2012 tot 1 maart 2012. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet, of niet voldoende zijn nagekomen door geen melding te maken van structurele stortingen op de bankrekening van appellant, tot een totaalbedrag van
€ 3.110,-.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening en terugvordering

4.1.

Vaststaat dat appellant in de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2011 met enige regelmaat bedragen, variërend van € 10,- tot € 340,-, tot een totaalbedrag van € 3.110,-, op zijn eigen bankrekening heeft gestort. Tevens staat vast dat appellanten hiervan geen melding hebben gemaakt bij het college.

4.2.

Appellanten hebben tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de gestorte bedragen niet behoren tot de middelen in de zin van de WWB en dat zij deze daarom niet hebben hoeven melden aan het college.

4.3.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de WWB worden, voor zover hier van belang, tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In artikel 32, eerste lid, van de WWB is weergegeven wat onder inkomen wordt verstaan.

4.4.

Het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Het ligt dan ook op de weg van appellanten om aannemelijk te maken dat de als gevolg van stortingen op de bankrekening van appellant bijgeschreven bedragen niet zijn aan te merken als middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB.

4.5.

Appellanten hebben daartoe in beroep gesteld dat de kasstortingen afkomstig zijn uit middelen waarover zij al de beschikking hadden. Het zou gaan om bedragen die appellant eerder van zijn bankrekening had opgenomen teneinde contante betalingen te kunnen verrichten. Sommige gestorte bedragen zouden een teveel aan opgenomen geld betreffen, andere een aanzuivering van de bankrekening met het oog op het voorkomen van een negatief saldo. Appellanten hebben deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk gemaakt.

4.5.1.

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat noch uit de bankafschriften zelf, noch uit de door appellanten verstrekte informatie de herkomst en het doel van de kasstortingen kunnen worden afgeleid. Het feit dat uit de bankafschriften blijkt dat grote bedragen contant zijn opgenomen is op zichzelf onvoldoende om de stelling van appellanten aannemelijk te achten. Hieruit is bovendien niet af te leiden welke de relatie is tussen de opnames enerzijds en de stortingen anderzijds.

4.5.2.

De door appellanten zelf opgestelde overzichten, zoals in hoger beroep in het geding gebracht, dragen niet bij aan de onderbouwing van de stellingen van appellanten, nu deze niet objectief en verifieerbaar zijn. Dat het in de cultuur van appellanten gebruikelijk is om contant te betalen en dat op de markt waar appellant inkopen pleegt te doen doorgaans contante transacties plaatsvinden, vormt evenmin een draagkrachtige onderbouwing van de stelling van appellanten.

4.5.3.

In dit verband is voorts van betekenis dat appellant tegenover medewerkers van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Velsen over de herkomst van de gestorte bedragen verklaringen heeft afgelegd die enerzijds afwijken van wat in beroep is aangevoerd en die anderzijds onderling uiteenlopen. Zo heeft appellant op 8 augustus 2011 verklaard dat hij geen verklaring heeft voor de stortingen, gedaan in de periode van 31 januari 2011 tot en met 3 mei 2011. Op 16 september 2011 heeft hij verklaard dat de stortingen, gedaan in de periode van 2 maart 2010 tot en met 18 oktober 2010, geld betreft dat hij van zijn zoon heeft geleend en dat ter zake geen schuldverklaring is opgemaakt. Op 14 oktober 2011 heeft hij verklaard dat de stortingen, gedaan in de jaren 2007 tot en met 2011 geld betreft dat hij van zijn zoon heeft geleend en dat hij geen schuldverklaring kan tonen waaruit dit blijkt. In hun bezwaarschrift hebben appellanten gesteld dat een bedrag op de eigen rekening is gestort dat was geleend van een kennis. Tijdens de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure heeft de zoon van appellanten namens hen verklaard dat ongeveer drie van de gestorte bedragen een lening van deze zoon betrof.

4.5.4.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd vormt het feit dat van de onder 4.5.3 bedoelde verklaringen geen afzonderlijk verslag is opgemaakt waaruit de vragen en antwoorden naar voren komen geen grond om aan die verklaringen geen of minder waarde te hechten. Appellanten hebben niet betwist dat de weergave van de verklaringen in de rapporten correct is. De omstandigheid dat appellant de Nederlandse taal slecht beheerst vormt voorts niet een afdoende verklaring voor het feit dat hij niet eenduidig en consistent heeft verklaard over de herkomst van de gestorte bedragen. Hetzelfde geldt voor het door appellanten gestelde feit dat appellant zich tijdens de eerste verklaring overrompeld voelde. Dit is overigens niet aannemelijk nu de aan appellanten toegekende bijstand eerder, te weten bij besluit van 29 oktober 2007, zoals hiervoor onder 1.2 vermeld, eveneens was herzien in verband met kasstortingen.

4.5.5.

Appellanten hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat de stortingen niet als middelen, in het bijzonder niet als inkomsten, zijn te beschouwen betoogd dat zij niet in staat zijn inkomsten uit arbeid te verwerven, appellant niet in verband met ziekte en appellante niet in verband met de zorg voor de kinderen. Zij hebben dit in het geheel niet onderbouwd. Reeds daarom kan dit betoog niet bijdragen aan de onderbouwing van hun standpunt. Daarbij is voorts van betekenis dat inkomsten ook op andere wijze kunnen worden verworven dan door het verrichten van arbeid.

4.5.6.

Het betoog van appellanten houdt uiteindelijk, alles bijeen genomen, in dat de geldbedragen die appellant in de periode in geding op zijn bankrekening heeft gestort grotendeels afkomstig waren van eerdere opnames van diezelfde rekening en voor een kleiner deel bedragen waren die door familieleden dan wel anderen aan hem ter hand waren gesteld, hetzij als lening, hetzij anderszins. Appellanten hebben niet gespecificeerd welke bedragen geleend geld zouden betreffen.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellanten geen plausibele en met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwde verklaring hebben gegeven voor de herkomst van de gestorte bedragen die door het college bij het bestreden besluit in aanmerking zijn genomen. Gelet op wat onder 4.4 is overwogen leidt dit ertoe dat de kasstortingen moeten worden aangemerkt als inkomen van appellanten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de kasstortingen als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB moeten worden aangemerkt.

4.7.

Aan appellanten had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de kasstortingen van belang waren voor het recht op bijstand en dat zij dit om die reden aan het college hadden moeten melden. Door dit na te laten hebben zij gehandeld in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting.

Maatregel

4.8.

Zoals hiervoor onder 4.7 is overwogen zijn appellanten de op hen ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichtingen niet nagekomen. Dit is hen te verwijten, te meer nu reeds eerder het recht op bijstand is herzien en teruggevorderd als gevolg van het feit dat appellanten hadden verzuimd om het college te informeren over kasstortingen. Daarbij komt dat ook toen aan hen ter zake van die schending van de inlichtingenverplichting een maatregel is opgelegd. De omstandigheid, zoals door appellanten aangevoerd, dat zij slechts uit onwetendheid geen bezwaar hebben gemaakt tegen die herzieningsbeslissing en die beslissing destijds niet inhoudelijk is beoordeeld, leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband is van betekenis dat de uit die herzieningsbeslissing voortvloeiende terugvorderingsbeslissing tot in hoger beroep door hen is aangevochten.

4.9.

Uit wat hiervoor onder 4.8 is overwogen volgt dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellanten te verlagen. Tegen de hoogte en de duur van de met toepassing van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012 van de gemeente Velsen opgelegde verlaging hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

Conclusie

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

HD