Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2352

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
12-3431 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijstand terecht afgewezen; appellant van Italiaanse afkomst is geen Nederlander en ook niet met een Nederlander gelijk te stellen. Geen duurzaam verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38. Appellant is rechtsgeldig van 2000 tot 24 augustus 2007 uit Nederland verwijderd. Verblijf van appellant in Nederland daarom niet ononderbroken. Appellant beschikte bij terugkeer naar Nederland dan ook niet over een duurzaam verblijfsrecht. Wat betreft de toekenning van bijstand daarom geen beroep mogelijk op gelijkstelling met een Nederlander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3431 WWB

Datum uitspraak: 4 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

7 mei 2012, 11/705 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 23 mei 2014.

Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren in 1957 en heeft de Italiaanse nationaliteit. Hij is in 1983 naar Nederland gekomen. In 1997 is hij tot ongewenst vreemdeling verklaard en in 2000 is hij uit Nederland verwijderd. Naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de EU (Hof) van 7 juni 2007, C-50/06, is de ongewenstverklaring, op verzoek van appellant, bij besluit van 2 juli 2008 met ingang van 24 augustus 2007, opgeheven. Op 3 mei 2011 is appellant teruggekeerd naar Nederland. Hij heeft op 4 mei 2011 een aanvraag ingediend om toekenning van bijstand voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Deze aanvraag is door het college bij besluit van 25 mei 2011 afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat appellant geen Nederlander is en hij ook niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld op grond van artikel 11, lid 1 en 2, van de WWB en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen.

2.1. In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat hij in 2000 ten onrechte is uitgezet. Verwezen wordt naar een brief van de Europese Commissie van 30 juli 2007 naar aanleiding van het onder 1.1 genoemde arrest van het Hof. In deze brief wordt opgemerkt dat appellant zich op grond van dit arrest kan beroepen op alle beschermingsmaatregelen tegen uitzetting waarin is voorzien bij het Gemeenschapsrecht (Richtlijn 64/221, thans Richtlijn 2004/38). Appellant stelt zich op het standpunt dat hij dient te worden behandeld als een EU-onderdaan met recht van duurzaam verblijf nu hij vóór zijn uitzetting ongeveer twintig jaar in Nederland heeft gewoond. Appellant meent dan ook aanspraak te kunnen maken op bijstand.

2.2. Bij besluit van 15 juli 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

25 mei 2011 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar is ten gronde gelegd dat appellant een EU-onderdaan is die (nog) geen drie maanden rechtmatig in Nederland verblijft en die geen duurzaam verblijfsrecht heeft. Gewezen wordt op de afwezigheid van appellant uit Nederland van meer dan tien jaar na zijn uitzetting in 2000.

3.1. In beroep is namens appellant aangevoerd dat, nu appellant in 2000 ten onrechte is uitgezet, gezien het arrest van het Hof van 7 juni 2007, er vanaf de datum van de uitzetting sprake is van rechtmatig voortgezet verblijf. De tussenliggende jaren dienen dan ook mee te tellen voor de bepaling van de duur van het rechtmatig verblijf van appellant in Nederland. Door de gemachtigde is verder verklaard dat het bezwaar tegen de ingangsdatum van de ongewenstverklaring en de weigering om appellant naar Nederland terug te leiden, niets hebben opgeleverd. De desbetreffende besluiten zijn rechtens onaantastbaar geworden.

3.2. De rechtbank heeft overwogen dat, aangenomen dat appellant vanaf 24 augustus 2007 een duurzaam verblijfsrecht had als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 2004/38, appellant dit recht vanaf laatstgenoemde datum had kunnen voortzetten. Appellant is eerst op 3 mei 2011 Nederland weer binnen gereisd. Dat betekent dat tussen de datum waarop, volgens appellant, het duurzame verblijfsrecht had kunnen worden gecontinueerd en de datum waarop appellant is teruggekeerd naar Nederland een periode ligt van meer dan twee jaar, zodat appellant het duurzaam verblijfsrecht, op grond van het vierde lid van artikel 16 van Richtlijn 2004/38, in ieder geval heeft verloren. De stelling van appellant dat de overschrijding van de termijn van twee jaar verschoonbaar is wordt verworpen. Dat appellant geen contact heeft onderhouden met zijn gemachtigde ligt in zijn eigen risicosfeer en kan niet leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep is namens appellant herhaald dat hij recht heeft op een duurzaam verblijfsrecht en uit dien hoofde recht op bijstand. Uit de namens appellant ingediende stukken blijkt dat appellant een aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een duurzaam verblijfsrecht, welke aanvraag bij besluit van 7 september 2011 is afgewezen. Deze afwijzing is, na bezwaar en beroep, onherroepelijk geworden. Namens appellant is betoogd dat dit voor de beslechting van dit geschil niet uitmaakt, gezien het declaratoire karakter van het duurzame verblijfsrecht. Subsidiair wordt betoogd dat in elk geval vanaf 4 augustus 2011, derhalve na een rechtmatig verblijf van meer dan drie maanden, appellant in aanmerking dient te komen voor bijstand.

4.2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.3. Vastgesteld moet worden dat in dit geding ter beoordeling staat de periode van

4 mei 2011 tot 25 mei 2011.

4.4. Tussen partijen is in geschil of appellant op grond van Richtlijn 2004/38 een duurzaam verblijfrecht in Nederland heeft en uit dien hoofde, wat betreft het recht op bijstand, met een Nederlander gelijkgesteld moet worden.

4.5. In Richtlijn 2004/38 is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 16

Algemene regel voor burgers van de Unie en hun familieleden

1.

Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.

(…)

4.

Wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal is verkregen, kan het slechts worden verloren door een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland.

Artikel 21

Ononderbroken karakter van het verblijf

(…) Het verblijf is niet langer ononderbroken wanneer ten aanzien van de betrokkene een besluit tot verwijdering rechtsgeldig ten uitvoer is gelegd."

4.6.

Vastgesteld moet worden dat appellant in 1997 ongewenst is verklaard en dat hij in 2000 uit Nederland is verwijderd. Zoals blijkt uit 3.1 staat rechtens vast dat het besluit tot verwijdering van appellant tot 24 augustus 2007 rechtsgeldig ten uitvoer kon worden en ook is gelegd. In het licht van artikel 21 van Richtlijn 2004/38 is het verblijf van appellant in Nederland dan ook niet ononderbroken. Daaraan kan worden toegevoegd dat uit de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat rechtens vaststaat dat aan appellant geen duurzaam verblijfsrecht toekomt. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat, ook als zou moeten worden aangenomen dat appellant aan artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 2004/38, wel een duurzaam verblijfsrecht heeft ontleend, hij dit recht op grond van het vierde lid van dit artikel, gezien de duur van de afwezigheid uit ons land, in elk geval vóór de inreis in ons land op 3 mei 2011, heeft verloren. Verwezen kan worden naar de overwegingen ter zake van de rechtbank. Geconcludeerd moet worden dat appellant bij terugkeer naar Nederland niet beschikte over een duurzaam verblijfsrecht, zodat aan hem, voor wat betreft de toekenning van bijstand, op die grond geen beroep toekwam op gelijkstelling met een Nederlander. Dat betekent dat de uitspraak van de rechtbank voor bevestiging in aanmerking komt.

4.7.

De subsidiaire grond die appellant in hoger beroep aan zijn vordering ten gronde heeft gelegd, valt, zoals blijkt uit 4.3, buiten de omvang van dit geding.

4.8.

Er is geen aanleiding tot een veroordeling van een van de partijen in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.P. Ketting

IvZ