Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
12-5030 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5030 WIA

Datum uitspraak: 9 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

31 juli 2012, 12/371 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was voor het laatst werkzaam als vrachtwagenchauffeur. Op 5 oktober 2009 is hij uitgevallen in verband met klachten aan de arm, schouder en elleboog. Naar aanleiding van een op 8 juni 2011 ingediende aanvraag heeft vervolgens een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat verband is appellant onderzocht door een verzekeringsarts, die in het rapport van 27 juni 2011 heeft vastgesteld dat appellant beperkingen heeft ten opzichte van het normaal functioneren. Deze beperkingen betreffen vooral de rug, ellebogen, rechterheup, longen en darmen. Rekening houdend met de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarna is een arbeidsdeskundige in het rapport van 19 juli 2011 tot de conclusie gekomen dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar nog wel geschikt is voor een aantal andere functies, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid uit kwam op 16,09 %.

1.2. Bij besluit van 19 juli 2011 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij per 3 oktober 2011 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35 % is.

1.3. Appellant heeft bezwaar ingesteld tegen het besluit van 19 juli 2011 en heeft daarbij aangevoerd dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Appellant is in verband met agressieve aanvallen in 2008 in behandeling geweest bij een psycholoog en gebruikt sinds die tijd het medicijn Sertraline.

1.4. In de bezwaarfase heeft een hoorzitting plaatsgevonden in het bijzijn van de bezwaarverzekeringsarts, waarna appellant medisch is onderzocht. Op basis van eigen onderzoek en dossieronderzoek en op basis van informatie van de huisarts en de psychiater heeft de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 3 januari 2012 geconcludeerd dat appellant meer beperkt is op het onderdeel frequent buigen van de pols tegen een weerstand in en is de FML dienovereenkomstig aangepast. Ten aanzien van de rugklachten, klachten aan schouder, rechterheup, knieën en darmen heeft deze arts overwogen dat de beperkingen en mogelijkheden van appellant op de datum in geding op juiste wijze zijn aangegeven in de FML. De verzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien beperkingen aan te nemen met betrekking tot de psychische klachten van appellant, aangezien hij sinds 2008 niet meer onder behandeling is. Tot slot is overwogen dat geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking, omdat appellant niet valt onder de uitzonderingscategorieën voor het aannemen van een urenbeperking.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft in deze toegenomen beperking geen aanleiding gezien de geduide functies als ongeschikt aan te merken en komt uit op een mate van arbeidsongeschiktheid van 16,11 %.

1.5. Bij het bestreden besluit van 16 januari 2012 is het bezwaar tegen het besluit van

20 juni 2011 ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellant informatie ingebracht van een neuroloog, een uitdraai van een huisartsenjournaal en een afsprakenkaart met daarop een uitnodiging voor een intake bij een psychiater op 22 maart 2012. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 10 mei 2012 in deze medische informatie geen aanleiding gezien om ten aanzien van de datum in geding een ander standpunt in te nemen.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts over de belastbaarheid van appellant per 3 oktober 2011. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het rapport voldoende gemotiveerd waarom de door appellant in beroep overgelegde medische informatie niet leidt tot een ander standpunt ten aanzien van de belastbaarheid op de datum in geding. Wat betreft de door appellant gestelde beperkingen als gevolg van psychische klachten heeft de rechtbank opgemerkt dat uit de verzekeringskundige rapporten blijkt dat appellant sinds 2008 niet meer onder behandeling was voor psychische klachten, terwijl bij het medisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden rond de datum in geding geen psychopathologie is waargenomen.

3.

In hoger beroep is aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat appellant meer beperkt is. Betoogd is dat de psychische klachten van appellant zijn toegenomen en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen bij het verrichten van de werkzaamheden. In dit verband is verzocht om onderzoek door een onafhankelijke deskundige. Verder is aangevoerd dat de geduide functies niet passend zijn en dat daarbij geen rekening is gehouden met het gebruik van het medicijn Sertraline dat het reactievermogen, de rijvaardigheid en het gebruik van machines kan beïnvloeden.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding medisch meer beperkt is dan is aangenomen. Voor de daartoe strekkende stelling van appellant is geen steun te vinden in de zich in het dossier bevindende medische informatie. De overwegingen van de rechtbank ter zake worden volledig onderschreven en overgenomen. Wat betreft de geclaimde urenbeperking wordt verwezen naar hetgeen de bezwaarverzekeringsarts hiervoor in zijn rapport van 3 januari 2012 heeft opgemerkt. In dit verband wordt nog opgemerkt dat het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen niet ingewilligd wordt. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beperkingen ontbreekt.

4.3.

Uitgaande van de FML van 4 januari 2012 is er geen reden om aan te nemen dat de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd. In dat verband wordt verwezen naar het rapport van 19 juli 2012 van de bezwaararbeidsdeskundige waarin gemotiveerd en voldoende toegelicht is waarom de belastbaarheid niet wordt overschreden.

4.4.

Tot slot wordt ten aanzien van het gebruik van het medicijn Sertraline het volgende overwogen. Zoals blijkt uit het verslag van 3 januari 2012 is het gebruik van dat medicijn door de bezwaarverzekeringsarts in zijn beoordeling betrokken. Ter zitting heeft appellant uiteengezet dat hij tijdens zijn werk als vrachtwagenchauffeur al Sertraline gebruikte. Op aanraden van de behandelaar nam appellant het medicijn na het avondeten in, waardoor de volgende dag de bijwerkingen werden beperkt en appellant auto kon rijden. Nu appellant zijn werk als vrachtwagenchauffeur heeft kunnen doen met het gebruik van Sertraline, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat hij met gebruik van datzelfde medicijn geen machines zou kunnen bedienen.

4.5.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) D. Heeremans

RK