Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
12-5047 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant begin maart 2011 met zijn auto tegen betaling personen heeft vervoerd en daarom op geld waardeerbare arbeid heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5047 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 juli 2012, 12/1076 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. El Assrouti, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 mei 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met zijn echtgenote vanaf 1 maart 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij een gecoördineerde actie heeft het wijkteam Flierbosdreef van de politie

Amsterdam-Amstelland (politie) op 3 maart 2011 onderzoek verricht naar werkzaamheden van illegale taxichauffeurs, ook wel aangeduid als snorders, in Amsterdam Zuidoost. Dit onderzoek is uitgevoerd met vier onopvallende dienstauto’s. De politie heeft de auto van appellant gevolgd en waargenomen dat deze auto is gestopt en dat toen twee mannen zijn uitgestapt. Na de melding dat een van de twee mannen, [naam getuige]), tegenover een van de surveillanten een positieve verklaring als getuige had afgelegd, is appellant aangehouden. Appellant is vervolgens verhoord. Tijdens het verhoor heeft appellant, na confrontatie met de getuigenverklaring dat hij tegen betaling een rit heeft uitgevoerd, ontkend dat hij die dag iemand in zijn auto heeft vervoerd. Na ontvangst van de

processen-verbaal van de politie heeft een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een vervolgonderzoek verricht. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit een verhoor van appellant. Bij dat verhoor heeft appellant opnieuw ontkend dat hij werkzaamheden als chauffeur heeft verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 18 maart 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

24 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellant en zijn echtgenote over de maand maart 2011 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die maand tot een bedrag van € 1.313,85 van hen terug te vorderen. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant heeft verzwegen dat hij in maart 2011 op geld waardeerbare arbeid als snorder heeft verricht. Appellant heeft geen inzicht gegeven over de omvang van deze werkzaamheden en de inkomsten daaruit, zodat het recht op bijstand over deze maand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens appellant is [naam getuige] de cruciale getuige in deze zaak en is zijn rol daarom doorslaggevend. Appellant voert aan dat [naam getuige] tijdens de strafzaak onder ede heeft verklaard dat hij appellant niet kent. Door deze verklaring is de grondslag aan de verdenking van appellant komen te ontvallen. Bovendien acht appellant het heel goed denkbaar dat bij de grootschalige actie tegen snorders, waarbij meerdere verbalisanten waren betrokken en meerdere verdachten zijn aangehouden, in combinatie met de summiere verklaring die [naam getuige] op 3 maart 2011 heeft afgelegd, dat de verbalisanten zich vergist hebben in de persoon van appellant.

4.2.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant begin maart 2011 met zijn auto tegen betaling personen heeft vervoerd en daarom op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. De politie heeft waargenomen dat appellant in zijn auto reed en dat twee mannen uit die auto zijn gestapt. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan deze waarnemingen. Appellant heeft ontkend dat hij die dag personen heeft vervoerd en heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de twee mannen in zijn auto. [naam getuige] heeft bij zijn verhoor op

3 maart 2011 als getuige bevestigd dat hij even tevoren uit een personenauto is gestapt en dat hij tegen betaling gebruik heeft gemaakt van vervoer door een snorder. Daarbij heeft hij een globale omschrijving van de bewuste auto en van de bestuurder gegeven. Aangezien de politiesurveillant die [naam getuige] heeft verhoord deel uitmaakte van de inzittenden van de politieauto die kort tevoren heeft waargenomen dat de twee mannen de auto van appellant uitstapten, is niet aannemelijk dat de verkeerde getuige is gehoord. Daargelaten dat appellant geen bewijs heeft geleverd dat [naam getuige] in de strafzaak heeft verklaard dat hij appellant niet kent, leidt een dergelijke verklaring niet tot een ander oordeel. Het is immers niet aannemelijk dat een klant een taxichauffeur zal kennen na één kortdurende rit, waarvan in dit geval sprake was. Daarbij wordt nog aangetekend dat appellant geen informatie heeft verstrekt over de uitkomst van de betreffende strafzaak tegen hem. Mede gelet op de door de politie verzamelde gegevens, waaronder gedetailleerde gegevens over tijd en plaats, neergelegd in op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, bestaat ook geen grond voor de aanname dat in dit geval een vergissing over de persoon van de chauffeur heel wel denkbaar is.

4.3.

Voorts is appellant van mening dat zolang in een twijfelachtige zaak als deze geen einduitspraak is gedaan door de feitenrechter, de onschuldpresumptie dient te gelden en dat een sanctie in de vorm van invordering van de uitkering door het college onrechtmatig is. Dit standpunt, dat erop neerkomt dat het college eerst tot besluitvorming als hier aan de orde kan overgaan als de strafrechter einduitspraak heeft gedaan, treft geen doel. Het college is ingevolge artikel 54 van de WWB en artikel 58 van de WWB bevoegd een besluit tot intrekking van bijstand onderscheidenlijk tot terugvordering van gemaakte kosten van bijstand te nemen als het tot de conclusie is gekomen dat daartoe een toereikende feitelijke grondslag en voldoende aanleiding bestaat. Uit 4.2 volgt dat in dit geval voldoende grondslag bestond voor gebruikmaking van die bevoegdheid. Het college is niet gehouden om, alvorens die bevoegdheid te gebruiken, het oordeel van de strafrechter af te wachten. Daarbij is verder van belang dat intrekking en terugvordering van bijstand als hier aan de orde niet aangemerkt kunnen worden als een bestraffende sanctie.

4.4.

De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte niet in overweging heeft genomen dat appellant de hoge kilometerstand van zijn auto, zoals weergegeven in het bestreden besluit, gemotiveerd heeft bestreden, slaagt niet. De gemachtigde van het college heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat de passage over de hoge kilometerstand in het bestreden besluit geen betrekking heeft op het onderzoek ten tijde hier van belang, maar op een onderzoek in een daaraan voorafgaande periode. Daarmee is erkend dat deze passage ten onrechte in het bestreden besluit is opgenomen. Daarin heeft de rechtbank terecht aanleiding gevonden om deze onjuiste passage in het bestreden besluit en de bestrijding daarvan buiten bespreking te laten.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) S.K. Dekker

HD