Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
13-1350 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstand. Ambulante handel. Geen informatie verstrekt over de daaruit ontvangen inkomsten. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat appellant werkzaamheden heeft verricht. De Raad draagt het college op om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1350 WWB-T, 13/1351 WWB-T

Datum uitspraak: 8 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

23 januari 2013, 12/4563 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tamas, die tevens namens appellante optrad . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart. Ter zitting zijn tevens verschenen de volgende door appellant meegebrachte getuigen: [getuige 1], zoon van appellant, [getuige 2], neef van appellant en [getuige 3], kennis van appellant, allen wonende te [woonplaats].

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 9 november 2002 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant werkzaamheden verricht op de Utrechtse Bazaar heeft het college een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (afdeling Bijzonder Onderzoek) onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse instanties om inlichtingen verzocht, observaties uitgevoerd en appellant op 7 december 2011 gehoord tijdens een confrontatiegesprek. De bevindingen en conclusies zijn neergelegd in verschillende rapportages.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

15 december 2011 de bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2011 in te trekken. Tevens heeft het college bij besluit van 22 december 2011 de bijstand van appellanten over de periode van 1 april 2007 tot en met 30 november 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 81.046,91 van hen teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 april 2007 werkzaam is in de ambulante handel en dat hij geen informatie heeft verstrekt over de daaruit ontvangen inkomsten, met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 23 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 15 december 2011 en 22 december 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

13 1351 WWB

4.1. De Raad ziet aanleiding eerst ambtshalve over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van appellante te oordelen.

4.1.1. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij, voor zover hier van belang, geen bezwaar heeft gemaakt. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is artikel 6:13 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.

4.1.2. Uit het beroepschrift van 1 juni 2012 - aangevuld bij brieven van 21 juni 2012 en

22 juni 2012 -, gericht tegen het bestreden besluit, blijkt niet dat het beroep ook namens appellante is ingesteld. In die geschriften is uitsluitend appellant als eisende partij genoemd. In de aangevallen uitspraak is dan ook terecht als eisende partij alleen appellant aangemerkt. Door appellante zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee het haar redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld.

4.1.3. Gelet op 4.1.1. en 4.1.2 zal het hoger beroep van appellante in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

13 1350 WWB

4.2. Inzake het hoger beroep van appellant oordeelt de Raad als volgt.

4.2.1. De te beoordelen periode loopt van 1 april 2007 tot en met 15 december 2011.

4.2.2. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.

4.2.3. Het college heeft de intrekking van de bijstand van appellanten met ingang van 1 april 2007 vrijwel uitsluitend gebaseerd op de door appellant op 7 december 2011 afgelegde verklaring. Gerapporteerd is dat appellant onder meer heeft verklaard dat hij voor zijn zoon met de vrachtwagen groente en fruit van de veiling ophaalt en naar de markt brengt en dat hij vanaf het moment dat zijn zoon een kraam op de markt heeft, ongeveer vier jaar geleden, deze werkzaamheden verricht.

4.2.4. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet kan worden gehouden aan de op 7 december 2011 afgelegde verklaring. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hij slecht Nederlands spreekt en dat [getuige 3], die tijdens het gesprek als tolk fungeerde, de Nederlandse taal ook niet voldoende machtig is. Na afloop van het gesprek heeft hij de verklaring niet ondertekend, omdat hij twijfels had over de juistheid van de op schrift gestelde verklaring. Nadat een professionele tolk de verklaring nadien op het kantoor van de gemachtigde van appellant had vertaald, is appellant gebleken dat zijn verklaring niet overeenkomt met de werkelijkheid.

4.2.5. Het verslag van wat appellant tijdens het gesprek op 7 december 2011 zou hebben verklaard is ontoereikend om daarop een belastend besluit als hier in geding te baseren. Hiertoe is het volgende van belang. Appellant heeft meteen na afloop van het gesprek gezegd zijn verklaring wegens twijfels over de juistheid ervan niet te willen ondertekenen. Appellant is vervolgens door het college in de gelegenheid gesteld de op schrift gestelde verklaring thuis nogmaals te lezen en, zo nodig voorzien van op- en/of aanmerkingen, binnen twee dagen getekend aan het college te retourneren. In reactie hierop heeft de gemachtigde van appellant op 8 december 2011 telefonisch laten weten dat appellant opnieuw gehoord wenst te worden in aanwezigheid van een beëdigd tolk. Voorts heeft de gemachtigde bij brief van 16 december 2011 aan het college meegedeeld dat appellant de tijdens het gesprek gestelde vragen niet heeft begrepen, dat appellant noch de door hem meegebrachte tolk de Nederlandse taal machtig is en dat de in het rapport vermelde antwoorden niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn. Gezien de aard van het gesprek, te weten een confrontatiegesprek naar aanleiding van een vermoeden van fraude, had het op de weg van het college gelegen zich ervan te vergewissen dat [getuige 3] in staat was om tijdens dit gesprek als tolk te fungeren dan wel om zelf voor een tolk te zorgen. Het enkele feit dat het college appellant, voorafgaand aan het gesprek, heeft gewezen op het belang om zich te laten vergezellen door een tolk is in het licht van het voorgaande onvoldoende. Anders dan de rechtbank heeft overwogen bestaan onder de vorengenoemde omstandigheden onvoldoende waarborgen voor de juistheid van wat in het gespreksverslag is opgetekend.

4.2.6. Ander bewijs dat appellant in de gehele te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht ontbreekt. Zo blijkt uit informatie van de directeur van de Utrechtse Bazaar weliswaar dat de zoon van appellant sinds maart of april 2007 een kraam huurt, maar de afdeling Bijzonder Onderzoek heeft bijvoorbeeld geen navraag gedaan bij de marktmeester naar de aanwezigheid van appellant op de markt. Voorts hebben de verrichte observaties slechts betrekking op de periode van 5 november 2011 tot en met 30 november 2011. De ter zitting van de Raad afgelegde getuigenverklaringen kunnen ten slotte niet ter onderbouwing van enig standpunt dienen, alleen al omdat deze verklaringen onderling tegenstrijdig zijn.

4.2.7. Uit 4.2.1 tot en met 4.2.6 volgt dat de onderzoeksbevindingen, noch afzonderlijk, noch in onderling verband bezien, voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant in de gehele te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht. Die bevindingen zijn alleen toereikend om daarop het standpunt te baseren dat appellant in de maand november 2011 de betreffende, op geld waardeerbare, werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.2.8. Uit 4.2.7 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2

en 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.2.9. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat niet valt uit te sluiten dat het college, desgewenst, nader onderzoek kan verrichten naar werkzaamheden van appellant in de te beoordelen periode.

4.2.10. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het in 4.2.7 geconstateerde gebrek te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 23 april 2012 te herstellen.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) S.K. Dekker

HD