Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
13-5704 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling vordering wegens meerinkomen. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat voor zover het bezwaar van appellant van 9 februari 2012 mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 26 oktober 2011 dit bezwaar niet verschoonbaar te laat is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5704 WSF

Datum uitspraak: 9 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 september 2013, 12/1554 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.H.S.P. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 20 november 2010 (Bericht Studiefinanciering 2009/6) is door de Minister vastgesteld dat appellant over de periode september 2009 tot en met december 2009 recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) in de vorm van een basisbeurs. Daarnaast is aan appellant over het jaar 2009 studiefinanciering toegekend in de vorm van een rentedragende lening en een OV-studentenkaart.

1.2.

Bij besluit van 26 oktober 2011 heeft de Minister - voor zover hier van belang - de samenstelling van de toelage van appellant op grond van de Wsf 2000 over het jaar 2009 herzien in die zin dat aan appellant over de periode januari 2009 tot en met augustus 2009 een basisbeurs is toegekend. Over de periode september 2009 tot en met december 2009 bestaat de toelage uit een rentedragende lening. Aangegeven is dat per saldo over 2009 een bedrag van € 1.178,63 te veel studiefinanciering is ontvangen.

1.3.

Na controle van de bijverdiensten van appellant aan de hand van bij de belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens in het jaar 2009, heeft de Minister het toetsingsinkomen van appellant over het studiefinancieringstijdvak (januari tot en met december) 2009 vastgesteld op € 19.260,-. Omdat dit toetsingsinkomen de vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2009 van € 13.215,83 overstijgt, is sprake van meerinkomen dat, ingevolge artikel 3.17 eerste lid, van de Wsf 2000, leidt tot een vordering op appellant, als nader bepaald in artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf 2000, zoals dat luidde ten tijde hier van belang. Op grond hiervan heeft appellant bij besluit van 21 januari 2012 ten laste van appellant over 2009 een vordering wegens meerinkomen vastgesteld van in totaal € 3.041,08. De vordering is samengesteld uit
€ 2.078,08 meerinkomen en € 963,- wegens het bezit van de OV-studentenkaart in de maanden januari tot en met december 2009.

1.4.

Het door appellant tegen deze vordering gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het betoog van appellant dat de hoogte van de vordering wegens meerinkomen onjuist is nu in 2009 niet gedurende acht maar gedurende twee maanden basisbeurs is toegekend, is verworpen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de vaststelling van het meerinkomen over een periode van acht maanden een gevolg is van het besluit van 26 oktober 2011. Tegen dat besluit is niet tijdig bezwaar gemaakt zodat het in rechte onaantastbaar is. Het betoog van appellant dat zijn bezwaar dient te worden aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 oktober 2011 heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Het bezwaar daartegen is niet tijdig ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Het besluit was voorzien van een rechtsmiddelenclausule, op de achterzijde in geval het ging om een per post verzonden besluit en in de separaat te openen toelichting in geval van digitale verzending.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat de rechtbank, ongeacht of het besluit van 26 oktober 2011 in rechte vaststaat, het bestreden besluit vol had moeten toetsen. In het bestreden besluit wordt vastgesteld dat appellant over 2009 een bedrag van € 3.041,08 moet terugbetalen terwijl in het besluit van 26 oktober 2011 is vastgesteld dat in 2009 € 1.178,63 te veel studiefinanciering is ontvangen. Als het besluit van 26 oktober 2011 in rechte vast zou staan is het bestreden besluit in strijd met de rechtszekerheid nu het zonder aanleiding als nieuw besluit is genomen over dezelfde periode. Verder is aangevoerd dat de rechtbank het besluit van 26 oktober 2011 ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld omdat hij verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit. Daartoe is gesteld dat bij het digitaal ontvangen besluit van 26 oktober 2011 de rechtsmiddelenclausule onvoldoende duidelijk is vermeld. Bij raadpleging van de website van de DUO in oktober 2013 werd geen toelichting gevonden. Verder is appellant in verwarring gebracht doordat op het bericht prestatiebeurs van 21 oktober 2011 wel een bezwaarclausule was geplaatst. Ten slotte is aangevoerd dat de Minister ter zitting bij de rechtbank ten onrechte heeft aangegeven dat appellant niet met succes een verzoek om herziening van het besluit van 26 oktober 2011 kan indienen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde in het jaar 2009, is de studerende die in een kalenderjaar meerinkomen heeft verschuldigd: a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende basisbeurs of aanvullende beurs, en b. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.

4.2.

De vaststelling dat sprake is van meerinkomen heeft geen invloed op het recht op studiefinanciering en leidt dan ook niet tot het terugbetalen van studiefinanciering, maar leidt tot een zelfstandige vordering op de studerende. Omdat de vordering wegens meerinkomen los staat van het recht op een prestatiebeurs en reisvoorziening, staat het gegeven dat bij besluit van 26 oktober 2011 het recht op studiefinanciering over 2009 is herzien, in verband waarmee een bedrag is teruggevorderd, niet in de weg aan het nadien opleggen van een vordering ingevolge artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf 2000. Het verschil in bedragen in de bij het bestreden besluit gehandhaafde vordering wegens meerinkomen van 21 januari 2012 en het herzieningsbesluit van 26 oktober 2011 vloeit voort uit de verschillende wettelijke grondslagen waarop die besluiten zijn gebaseerd.

4.3.

Het gedeelte van de vordering op grond van artikel 3.17, zevende lid, onderdeel a, van de Wsf 2000 is door de Minister vastgesteld op een bedrag van € 2.078,08, zijnde het meerinkomen dat is gemaximeerd op het bedrag aan genoten beurs over het kalenderjaar 2009 zoals dat voortvloeit uit het besluit van 26 oktober 2011. In dat besluit is aan appellant gedurende acht maanden een basisbeurs toegekend van € 259,76 per maand.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat voor zover het bezwaar van appellant van 9 februari 2012 mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 26 oktober 2011 dit bezwaar niet verschoonbaar te laat is ingesteld. Daartoe wordt het volgende overwogen. Nu appellant aangeeft dat hij dit besluit digitaal heeft ontvangen staat vast dat het destijds op de juiste wijze bekend is gemaakt zodat het bezwaar van 9 februari 2012 voor zover gericht tegen het besluit van 26 oktober 2011 te laat is ingesteld. Er is voorts geen reden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. In het digitaal verzonden besluit van
26 oktober 2011 wordt verwezen naar de toelichting indien appellant het niet eens is met de beslissing. Deze toelichting, zo heeft de Minister in het verweerschrift in hoger beroep verklaard, is via de e-mail waarin appellant erop wordt gewezen dat er een bericht studiefinanciering op de site is geplaatst te raadplegen. Appellant heeft de ontvangst van deze e-mail niet ontkend. Appellant heeft nagelaten om destijds deze toelichting te raadplegen en dit komt geheel voor zijn risico en rekening. Zelfs indien appellant de hiervoor genoemde e-mail niet zou hebben ontvangen zou dat er niet toe leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar zou moeten worden geacht omdat het dan op de weg van appellant zou hebben gelegen om navraag te doen naar deze toelichting. Ook de omstandigheid dat in het bericht prestatiebeurs van 21 oktober 2011 een bezwaarclausule is opgenomen leidt niet tot een ander oordeel. Dit bericht is geen bericht studiefinanciering en is voorts, anders dan de berichten studiefinanciering, niet digitaal maar via de post verzonden.

4.5.

De partijen verdeeld houdende vraag of appellant een succesvol verzoek om herziening van het besluit van 26 oktober 2011 kan indienen valt buiten de omvang van dit geding en wordt door de Raad om die reden buiten bespreking gelaten.

4.6.

Nu het besluit van 26 oktober 2011 in rechte vaststaat is de vordering op grond van artikel 3.17, zevende lid, onder a, van de Wsf 2000 terecht vastgesteld op een bedrag van
€ 2.078,08.

4.7.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat de gronden van appellant niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in rechte stand houden is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) I.J. Penning

RB