Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
12-1587 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Het oordeel van de rechtbank dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1587 WIA

Datum uitspraak: 4 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

10 februari 2012, 11/673 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.W.C. Jacobs hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.M.A. Mertens, die zich als opvolgend gemachtigde van appellante heeft gesteld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en het Uwv om een arbeidskundige toelichting gevraagd. Het Uwv heeft hierop onder toezending van een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige gereageerd.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 21 maart 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als activiteitenbegeleidster bij een centrum voor verpleegzorg, heeft zich na een ziekteperiode van 4 december tot en met 9 december 2008 op 22 december 2008 ziek gemeld na een verkeersongeval op 20 december 2008. Zij is sedert haar kindertijd bekend met beiderzijds een ernstig perceptief gehoorverlies, waarvoor zij afhankelijk is van ondersteunende gehoorapparatuur.

1.2. Bij besluit van 11 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij met ingang van 14 december 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 20 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 november 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante. Zij heeft bij haar oordeel betrokken dat de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de door appellante in beroep ingezonden verklaringen van klinisch fysicus/audioloog dr. ir. A.J. Bosman en R. Backus, directeur van ProSpirit coaching en training, hem geen argumenten hebben gegeven om aanvullende beperkingen te formuleren. De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat de bevindingen van Bosman niet afwijken van de reeds bekende gegevens en dat de visie van Bosman over de mate waarin voor appellante, als gevolg van haar gehoorverlies, energie overblijft voor het verwerken van andere prikkels puur hypothetisch van aard is en niet is voorzien van een objectief medische onderbouwing. Over de bij appellante geconstateerde hoge gevoeligheid voor prikkels (HSP) heeft de bezwaarverzekeringsarts gerapporteerd dat deze te duiden is als een karaktereigenschap van appellante. Er is geen sprake van een ziekte of gebrek. Appellante is om deze reden hieruit niet beperkt te achten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de bezwaararbeidsdeskundige bij de heroverweging in bezwaar voor de schatting in aanmerking genomen functies in medisch opzicht geschikt voor appellante.

3.

In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat het Uwv de uit haar gehoorbeperking voorkomende beperkingen evenals haar beperkingen uit HSP onjuist heeft gewaardeerd. Zij heeft herhaald dat zij beperkt is te achten voor handelingstempo en voor het verrichten van werkzaamheden in rumoerige situaties, mede omdat zij anders de waarschuwingssignalen niet goed zal kunnen waarnemen. Verder stelt appellante niet gedurende een volledige werkweek te kunnen werken. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een verklaring van 27 juni 2012 van Backus en rapporten van Bosman van
27 augustus 2012 en 24 september 2013. Appellante acht de voor haar geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend om redenen uiteengezet in haar hoger beroepschrift en ter zitting van de Raad op 19 juli 2013.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld over haar belastbaarheid vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij eerder in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voor haar voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden.

4.2.

In reactie op de in hoger beroep ingezonden stukken van Bosman en Backus heeft de bezwaarverzekeringsarts op 22 november 2012 gerapporteerd dat de inhoud van deze stukken hem geen aanleiding geven om zijn eerder ingenomen standpunt te herzien. De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat het rapport van Bosman geen nieuwe gegevens bevat en dat bij de heroverweging in bezwaar reeds rekening is gehouden met de door Bosman beschreven problematiek bij appellante, hetgeen geleid heeft tot aanscherping van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Over de verklaring van Backus heeft de bezwaarverzekeringsarts gerapporteerd dat daarin geen medisch inhoudelijke uitspraken worden gedaan. Er zijn geen aanknopingspunten om deze beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. Bij de heroverweging in bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts de in het dossier aanwezige informatie van klinisch fysicus/audioloog J.A. Tschur van 5 januari 2008 betrokken bij zijn beoordeling. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts het aannemelijk geacht dat appellante, zoals zij ter hoorzitting heeft verklaard, communicatieve problemen ondervindt bij het telefoneren. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierin aanleiding gezien appellante beperkt te achten ten aanzien van horen in die zin dat dat veelvuldig professioneel telefoneren, zeker bij de aanwezigheid van achtergrondgeruis, niet goed mogelijk is. Daarnaast geldt er een beperking bij het lokaliseren/interpreteren van auditieve informatie bij veel omgevingsrumoer. De bezwaarverzekeringsarts heeft uitgaande van de aandoeningen, de bestaande medische gegevens en de dagactiviteiten die appellante naar eigen zeggen in haar werk- en priv├ęsituatie kan uitvoeren, geen argumenten gezien om uit energetisch of preventief oogpunt een urenbeperking vast te stellen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante is juist.

4.4.

In zijn rapport van 21 augustus 2013 heeft de bezwaararbeidsdeskundige desgevraagd toegelicht waarom de geselecteerde functies op de door appellante ter zitting van de Raad op 19 juli 2013 aangevoerde aspecten, die het gebruik van de gehoorapparaten betreffen in situaties waarin sprake is van stoom, (papier)stof, pluisjes, het dragen van gehoorbescherming of hoofddeksel, passend zijn. In reactie op de stelling van appellante dat Bosman, blijkens zijn rapport van 24 september 2013, de mening is toegedaan dat de moderne, geavanceerde gehoorapparaten de verstaansproblemen in rumoerige ruimtes voor appellante niet kunnen oplossen, heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 6 november 2013 inzichtelijk gerapporteerd waarom de schatting ten grondslag gelegde functies inpakker met SBC-code 111190, produktiemedewerker voedingsmiddelenindustrie met SBC-code 111172 en bode-bezorger (kantoor) met SBC-code 315140 zonder meer geschikt te achten zijn voor appellante. De bezwaararbeidsdeskundige heeft na raadpleging van de betreffende arbeidsanalisten vastgesteld dat communicatie in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet voorop staat en dat de geselecteerde functies routinematige productiefuncties betreffen waarbij in geringe mate een beroep wordt gedaan op lokaliseren en interpreteren van auditieve informatie. De bezwaararbeidsdeskundige heeft een viertal geselecteerde reservefuncties niet langer passend geacht voor appellante.

4.5.

De door appellante bij schrijven van 25 november 2013 en 10 maart 2014 naar voren gebrachte argumenten vormen in essentie een herhaling van eerder naar voren gebrachte gronden, die door de bezwaararbeidsdeskundige reeds gemotiveerd zijn weerlegd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv zijn standpunt eerst in hoger beroep van een toereikende arbeidskundige toelichting heeft voorzien. Daartoe wordt overwogen dat de nadere arbeidskundige toelichting in hoger beroep is ingegeven door de nadere arbeidskundige argumenten van appellante in hoger beroep en niet heeft geleid tot wijziging van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2014.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

NW