Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
13-477 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/477 ZW

Datum uitspraak: 2 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

12 december 2012, 12/7896 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker in een bloemenkwekerij voor 40 uur per week. Op 19 januari 2009 is hij uitgevallen met liesklachten. Bij besluit van 25 mei 2011 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van

24 december 2010 inhoudende dat voor appellant per 17 januari 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant met zijn beperkingen, neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 maart 2011, nog in staat geacht werd onder meer de functies van medewerker tuinbouw, inpakker (handmatig) en snackbereider (handmatig) te verrichten.

1.2. Op 5 januari 2012 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld met rugklachten en klachten ten gevolge van aambeien. In verband met deze ziekmelding is appellant op 12 april 2012 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. Deze heeft appellant op basis van zijn bevindingen uit het spreekuuronderzoek per 16 april 2012 geschikt geacht voor één van de eerder geduide functies, de functie van snackbereider. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van

12 april 2012 het recht op ziekengeld met ingang van 16 april 2012 beëindigd.

1.3. Bij besluit van 3 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van

appellant - onder verwijzing naar het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van

12 juni 2012 - ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor twijfel aan de bevindingen en de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts weergegeven in diens rapport van

12 juni 2012. De beroepsgrond dat is uitgegaan van een onjuiste maatstaf is door de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 29 september 2010,

ECLI:NL:CRVB:2010:BN8717, evenmin gevolgd. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat appellant met ingang van 16 april 2012 in staat moet worden geacht zijn arbeid, in de zin van de Ziektewet (ZW), te verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie de gronden in bezwaar en beroep herhaald. Samengevat stelt appellant zich op het standpunt dat de artsen van het Uwv zowel zijn psychische als fysieke beperkingen hebben onderschat en dat hij door zijn beperkingen niet in staat is de functie van snackbereider, per de hier in geding zijn de datum, te verrichten.

3.2.

In verweer stelt het Uwv zich op het standpunt dat de door appellant ervaren fysieke en psychische klachten bij de beoordelend verzekeringsartsen bekend waren en bij de (her)beoordeling zijn meegewogen. Nu door appellant in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens zijn overgelegd die een ander licht werpen op de medische situatie van appellant per de datum in geding bestaat er voor het Uwv geen aanleiding meer of zwaardere beperkingen aan te nemen dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan. Voor de door appellant voorziene directe uitval na hervatting zijn, gelet op de aangenomen beperkingen, evenmin overtuigende medische argumenten aangevoerd.

4.1.

De Raad overweegt het volgende.

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.3

Vooropgesteld wordt, dat bij de Wet WIA-beoordeling in 2011 de geduide functies medisch en arbeidskundig als passend zijn aangemerkt en dat het daaraan ten grondslag liggende besluit, bij uitspraak van de Raad van 16 februari 2012, rechtens onaantastbaar is geworden. In deze ZW-beoordeling is alleen de medische geschiktheid op en na 16 april 2012 voor één van deze functies in geding. Arbeidskundige aspecten dienen in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om het medische onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten. Appellant is op het spreekuur van de verzekeringsarts zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Op basis van de bevindingen uit dit spreekuuronderzoek en dossierstudie is de belastbaarheid van appellant vastgesteld. Dat geen informatie bij de behandelend sector is ingewonnen, dient voor rekening en risico van appellant te blijven nu hij, zo blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts, toestemming voor het opvragen van medische informatie heeft onthouden. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant ten tijde van de hoorzitting geobserveerd en voorts in zijn rapport gemotiveerd te kennen gegeven waarom geen noodzaak wordt gezien voor het alsnog opvragen van medische informatie bij de behandelend sector. Er wordt geen aanleiding gezien het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in deze niet te volgen. Nu noch in beroep noch in hoger beroep door appellant medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist hebben ingeschat, is er geen aanleiding om ten aanzien van de belastbaarheid en arbeidsgeschiktheid van appellant een ander standpunt in te nemen dan de rechtbank in haar uitspraak heeft gedaan.

5.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6.

Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) H.J. Dekker

RB