Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2312

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
13-722 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De Raad is er niet van overtuigd geraakt dat met name de afwijzing van de aanvraag uit mei 2010 op goede gronden heeft plaatsgevonden. De enkele mededeling van Kho dat de eerdere medische oordelen juist zijn geweest is immers niet verder onderbouwd. Bij dit alles wordt in aanmerking genomen dat Kho nu een invaliditeit vaststelt zonder dat uit zijn rapportage blijkt van een noemenswaardige verergering van de klachten ten opzichte van de beoordeling door Roelofs. Daarmee valt niet uit te sluiten dat de eerder wel bekende maar niet voldoende onderkende taalproblemen destijds in de weg hebben gestaan aan een voldoende zorgvuldig onderzoek. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom in het geval van appellante geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om aan de toegekende toeslag terugwerkende kracht te verlenen. Dit gebrek zal alsnog moeten worden hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/722 WUBO-T

Datum uitspraak: 3 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Rijpkema, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 december 2012, kenmerk BZ01458474 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014. Daar is namens appellante

mr. Rijpkema verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is geboren in 1939 in het toenmalige Nederlands-Indië. In september 2000 heeft zij een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenningen op grond van de Wubo. Bij het besluit van 31 mei 2001 is erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld, te weten internering in het kamp Lawésigalagala tijdens de Japanse bezetting. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat het oorlogsgeweld niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Blijkens de gedingstukken was dit standpunt gebaseerd op het medisch onderzoek dat de arts G.J. Laatsch bij appellante heeft verricht. Laatsch concludeerde dat de bij appellante aanwezige psychische klachten (enkele symptomen van een PTSS) wel moeten worden toegeschreven aan het ondergane oorlogsgeweld, maar deze klachten niet leiden tot zodanige beperkingen dat gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Tegen het besluit van 31 mei 2001 is geen bezwaar gemaakt.

1.2.

In mei 2010 heeft appellante een hernieuwde aanvraag ingediend, waarbij zij heeft aangegeven dat haar klachten zijn verergerd. Op basis van de resultaten van een door de arts R.J. Roelofs, verricht onderzoek is de aanvraag afgewezen bij besluit van 10 september 2010. Verweerder heeft in dat verband overwogen dat de klachten van appellant opnieuw medisch zijn beoordeeld, maar dat ook nu niet is gebleken dat deze hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Tegen dit besluit heeft appellante ook geen bezwaar gemaakt.

1.3.

In februari 2011 heeft appellante wederom een aanvraag ingediend. Bij besluit van

8 februari 2012 is hierop afwijzend beslist. Nadat in bezwaar een rapport was overgelegd van de psycholoog/psychotherapeut D.M. Idzerda-de Groot, is appellante opnieuw onderzocht en wel door de geneeskundig adviseur G.L.G. Kho, arts. Hij concludeert dat de beperkingen ten gevolge van de psychische klachten (kenmerken PTSS) bij appellante zodanig zijn dat gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Bij het bestreden besluit is het bezwaar deels gegrond verklaard en zijn aan appellante met ingang van

1 februari 2011 een toeslag op grond van artikel 19 van de Wubo, een vergoeding voor een dagdeel huishoudelijk hulp per week en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat het niet mogelijk is om ten aan zien van de artikel 19 toeslag terugwerkende kracht te verlenen. Evenmin acht verweerder het mogelijk om aan appellante een periodieke uitkering of garantie-uitkering toe te kennen.

1.4.

In beroep is namens appellante naar voren gebracht dat haar klachten bij de eerdere aanvragen al zodanig waren dat er sprake was van blijvende invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld. Aangevoerd is dat de eerdere oordelen niet juist zijn geweest en voor herziening in aanmerking komen. Verzocht is dan ook te bepalen dat aan het toekennen van de toeslag een maximale terugwerkende kracht wordt verleend.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Verweerder heeft de hoofdregel van artikel 40, eerste lid, van de Wubo toegepast en de ingangsdatum van de toeslag gesteld op 1 februari 2011. Dat is de eerste dag van de maand waarin het verzoek om herziening is ingediend. Van de hem in het tweede lid van artikel 40 gegeven bevoegdheid om hiervan in het voordeel van appellante af te wijken heeft verweerder geen gebruik gemaakt. Ter zitting heeft verweerder toegelicht alleen dan van deze bevoegdheid gebruik te maken als bij de eerdere afwijzingen verwijtbare fouten zijn gemaakt. In navolging van zijn geneeskundig adviseur Kho acht verweerder dergelijke fouten in dit geval niet aanwezig.

2.2.

Appellante is in augustus 2010 onderzocht door Roelofs. Hij constateert dat de psychische klachten (partieel PTSS) van appellante in ernst zijn toegenomen in vergelijking met het eerdere onderzoek van Laatsch en stelt beperkingen vast in één rubriek als gevolg van de verstoorde slaapfunctie. Kort na het onderzoek van Roelofs is appellante in het kader van de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR) in november 2010 onderzocht door de arts F.A.M. van den Brand. In vergelijking met het rapport van Roelofs constateert Van den Brand enige toename van psychische klachten (enkele kenmerken van een PTSS) in de vorm van toename van slaapproblemen, concentratieproblemen en verhoogde waakzaamheid, hetgeen naar zijn mening leidt tot beperkingen in drie rubrieken.

2.3.

Naar aanleiding van het hier aan de orde zijnde (herzienings)verzoek is appellante in januari 2012 onderzocht door de arts R. Loonstein. Deze arts heeft ten opzichte van Roelofs geen nadere beperkingen kunnen vaststellen. In bezwaar tegen de afwijzing van het onderhavige verzoek is het rapport van D.M. Idzerda-de Groot overgelegd, waarin onder meer wordt gesproken van ernstige klachten als gevolg van ernstige traumatisering. Gezien de discussies omtrent de beperkingen in het functioneren en het feit dat in bezwaar taalproblemen zijn gemeld, is alsnog besloten om een nieuw onderzoek te verrichten door een Indonesisch sprekende arts. Deze arts, G.L.G. Kho, stelt vervolgens zodanige beperkingen vast dat er gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Op de vraag of er redenen zijn om terugwerkende kracht te verlenen heeft Kho gereageerd met de opmerking dat de oordelen in 2001 en 2010 niet onjuist zijn geweest.

2.4.

Gezien de onder 2.2 en 2.3 genoemde, kort op elkaar volgende, maar tegenstrijdige rapportages en de aanwezigheid van de - door het specifiek inschakelen van Kho - kennelijk erkende taalproblemen, dit alles in onderling verband gezien, is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat met name de afwijzing van de aanvraag uit mei 2010 op goede gronden heeft plaatsgevonden. De enkele mededeling van Kho dat de eerdere medische oordelen juist zijn geweest is immers niet verder onderbouwd. Bij dit alles wordt in aanmerking genomen dat Kho nu een invaliditeit vaststelt zonder dat uit zijn rapportage blijkt van een noemenswaardige verergering van de klachten ten opzichte van de beoordeling door Roelofs. Daarmee valt niet uit te sluiten dat de eerder wel bekende maar niet voldoende onderkende taalproblemen destijds in de weg hebben gestaan aan een voldoende zorgvuldig onderzoek.

2.5.

Uit 2.4 volgt dat het advies van Kho niet toereikend is om het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt te kunnen dragen. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom in het geval van appellante geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om aan de toegekende toeslag terugwerkende kracht te verlenen. Dit gebrek zal alsnog moeten worden hersteld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de gebreken in het besluit van 24 december 2012 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en B.J. van de Griend en

R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) B. Rikhof

HD