Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
12-3275 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde WGA-loonaanvullingsuitkering. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bij appellant vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid niet kan worden aangemerkt als duurzaam in de zin van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3275 WIA

Datum uitspraak: 20 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 april 2012, 11/4050 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2014. Voor appellant is verschenen mr. R. Veerkamp, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 12 december 2005 zijn werk als orderpicker gestaakt wegens psychische klachten. Bij besluit van 14 december 2007 is aan hem met ingang van

10 december 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 23 juni 2008 is deze uitkering met ingang van 10 september 2008 gewijzigd in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2. Bij brief gedateerd 7 mei 2010 is namens appellant verzocht om toekenning van een

IVA-uitkering. Daaraan is ten gronde gelegd dat redelijkerwijs niet te verwachten valt dat appellant nog aan het arbeidsproces zal kunnen deelnemen. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar een, bijgevoegde, brief van 16 november 2009 van Altrecht geestelijke gezondheidszorg. Uit die brief blijkt dat appellant sinds 22 augustus 2006 bij Altrecht in behandeling is. Als diagnose is gesteld: schizofrenie. Behandeling vindt plaats volgens het zorgprogramma Schizofrenie.

1.3. In februari 2011 heeft onderzoek door de verzekeringsarts plaatsgevonden. Door deze is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Volgens de verzekeringsarts heeft appellant geen progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Een redelijke of goede verbetering van de belastbaarheid in het komende jaar is te verwachten mits een adequaat behandelproject wordt ingezet. Er zijn geen duurzame arbeidsbeperkingen. De arbeidsdeskundige stelt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vervolgens vast op 80 tot 100%. Er zijn (op dat moment) geen mogelijkheden tot werkhervatting. Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het Uwv appellant laten weten dat zijn

WGA-loonaanvullingsuitkering ongewijzigd blijft.

1.4. In bezwaar is gerapporteerd door bezwaarverzekeringsarts W. Hovy. Deze heeft appellant gesproken tijdens de hoorzitting. Diens rapport is verder gebaseerd op de in het dossier aanwezige informatie, waaronder een brief van Altrecht van 15 februari 2011. Volgens Altrecht is het laatste jaar het functioneren van appellant verbeterd en zijn er wel ontwikkelingsmogelijkheden. Bezwaarverzekeringsarts Hovy merkt op dat appellants toestand is verbeterd na dagbehandeling. Gezien de toestand van appellant op dat moment zijn er zeker arbeidsmogelijkheden met name indien de in het verzekeringsgeneeskundig Protocol Schizofrenie vermelde behandelingsvormen worden aangewend. Al met al was er op datum van onderzoek door de verzekeringsarts voldoende reden om te spreken van een meer dan geringe kans op herstelmogelijkheden. Er is ook retrospectief geen enkele reden om aan te nemen dat zich geen mogelijkheden tot reïntegratie zouden gaan voordoen. Dit alles staat geheel los van het feit dat appellant lijdt aan een aandoening met een chronisch karakter.

1.5. Bij besluit van 26 oktober 2011 is het bezwaar, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, ongegrond verklaard.

2.1. In beroep is namens appellant aangevoerd dat het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts speculatief is, nu het is gebaseerd op behandelingen die niet hebben plaatsgevonden. Daarbij dient bedacht te worden dat appellant al jaren in behandeling is. Ter zitting van de rechtbank is door het Uwv gewezen op het rapport van Altrecht. Daaruit komt naar voren dat de situatie verbetert indien appellant de behandeling oppakt. Altrecht geeft aan dat er ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Er is nog geen eindsituatie bereikt.

2.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant zijn standpunt, dat er in de toekomst geen mogelijkheden zijn tot herstel, niet nader heeft onderbouwd met informatie van een behandelend arts. Uit de op verzoek van de verzekeringsarts ingekomen informatie van Altrecht blijkt dat appellant zijn in 2008 opgestarte deeltijdbehandeling heeft gestaakt en dat de in 2009 opgestarte dagbehandeling langzaam weer op gang kwam. De reden dat het intensieve behandelingstraject niet meer is opgepakt, is omdat appellant regelmatig niet is verschenen. Desondanks zien de behandelaars wel behandelmogelijkheden. Geconcludeerd wordt dat het functioneren van appellant het laatste jaar is verbeterd, dat er ontwikkelingsmogelijkheden zijn en dat appellant de laatste maanden weinig tot geen last had van psychotische klachten. Volgens de rechtbank ondersteunt dit alles de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts dat de arbeidsbeperkingen van appellant niet duurzaam zijn in de zin van artikel 47 juncto artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

3.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat met de gegevens van Altrecht niets is gezegd over de arbeids(on)mogelijkheden van appellant. Een duidelijk antwoord op de vraag of er al dan niet een geringe kans op herstel bestaat, is in de stukken van het Uwv niet te vinden. Dat er behandelmogelijkheden zijn en ontwikkelingen zijn te verwachten, betekent nog niet dat er sprake is van een niet geringe kans op herstel. Door bezwaarverzekeringsarts Hovy is hierop bij rapport van 12 juli 2012 gereageerd.

4.1.

De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid van appellant duurzaam is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de toegekende WGA-loonaanvullingsuitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek of zwangerschap en bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid dient de verzekeringsarts het door het Uwv vastgestelde beoordelingskader te hanteren, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (beoordelingskader). Ingevolge dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen duurzaam genoemd:

1.

als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of

2.

als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten.

Voorts bevat het beoordelingskader, voor zover van belang, het volgende:

“De verzekeringsarts spreekt zich uit over de prognose van de arbeidsbeperkingen van de cliënt, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. De verzekeringsarts doorloopt hier bij de volgende stappen:
Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:
a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of
b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.
Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is.
a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;
b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
Als voor de keuze tussen stap 2a en 2b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.”

4.3.

In zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) heeft de Raad overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Voorts is in deze uitspraak overwogen dat het niet onjuist wordt geacht dat bij het maken van deze inschatting het onder 4.3 beschreven beoordelingskader wordt gehanteerd, nu dit beoordelingskader een uitwerking is van, en in grote lijnen overeenkomt met, de procedure, zoals die volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wet WIA (TK 2004-2005, 30 034, nr. 3,
blz. 29) gevolgd zal worden bij het vaststellen van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid.

4.4.

In zijn diverse rapporten heeft de bezwaarverzekeringsarts, in overeenstemming met de bevindingen van Altrecht, en onder verwijzing naar het Protocol Schizofrenie, vastgesteld dat de toestand van appellant is verbeterd na dagbehandeling en, bij adequate behandeling, verder zal verbeteren. Hij heeft geconcludeerd dat er reeds op de datum einde wachttijd voldoende reden was om te spreken van een meer dan geringe kans op herstel van mogelijkheden, zeker als erkende vormen van behandeling en arbeidsintegratie waren ingezet. Door de bezwaarverzekeringsarts is aldus afdoende gemotiveerd dat de medische situatie van appellant kan verbeteren en dat de belastbaarheid binnen een jaar verder kan toenemen. Door appellant is geen medische informatie in het geding gebracht die de conclusie rechtvaardigt dat er wel sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Een en ander voert tot de conclusie dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bij appellant ten tijde hier in geding vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid niet kan worden aangemerkt als duurzaam in de zin van artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet WIA. Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) D.E.P.M. Bary

IJ