Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
13-3335 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging verplichting van werkgeefster tot loondoorbetaling bij ziekte, omdat de werkgeefster voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van appellant. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant niet in staat was zijn eigen functie te vervullen en dat er geen mogelijkheden waren om de eigen functie aan te passen, noch tot herplaatsing bij de eigen werkgever. Geadviseerd is om een extern re-integratietraject op te starten (tweede spoor). Gezien dit advies kan de werkgeefster niet worden tegengeworpen dat zij reeds tijdens het eerste ziektejaar is overgegaan tot het inzetten van het tweede spoor en de mogelijkheden tot re-integratie bij haar onvoldoende heeft onderzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3335 WIA

Datum uitspraak: 25 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

16 mei 2013, 12/4209 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Bijlsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2014. Voor appellant is

mr. V.M.C. Verhaegen, advocaat en opvolgend gemachtigde van appellant, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant en is op 11 mei 2009 met rugklachten uitgevallen van zijn werk als greenkeeper in dienst van [naam werkgeefster] (werkgeefster) voor 22,8 uur per week. Bij besluit van 19 april 2011, welk besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 5 december 2011, heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In de zaak met reg.nr. 12/3187 WIA heeft de Raad heden uitspraak gedaan op het hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg inzake de weigering van de WIA-uitkering.

1.2. Bij besluit van 6 december 2011 heeft het Uwv, voor zover van belang, bepaald dat de verplichting van de werkgeefster tot loondoorbetaling bij ziekte na de wachttijd van 104 weken stopt, omdat de werkgeefster voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van appellant. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft het bezwaar bij beslissing op bezwaar van 14 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft in een uitvoerig gemotiveerde uitspraak het standpunt van het Uwv onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat de werkgeefster veel te snel, namelijk al vier maanden na zijn uitval en voordat alle mogelijkheden naar re-integratie bij haar waren onderzocht, is overgegaan tot

re-integratie in het tweede spoor. Appellant is van opvatting dat aanpassing van het werkschema en verbetering van materialen, machines en arbeidsomstandigheden ertoe hadden kunnen leiden dat hij zijn werk als greenkeeper had kunnen voortzetten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 25 van de Wet WIA is een werkgever jegens wie een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, verplicht tot inspanningen, gericht op de re-integratie van de verzekerde. De verplichtingen van de werkgever zijn omschreven in het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid en in op grond van het zevende lid vastgestelde nadere regels.

In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is bepaald dat, indien bij de behandeling van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet WIA blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende

re-integratie-inspanningen heeft verricht, het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek verlengt, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen.

4.2.

Uit het dossier blijkt dat appellant in 2007/2008 al met rugklachten was uitgevallen uit zijn werk. Met een aanpassing van het werkschema heeft appellant zijn werkzaamheden toen kunnen hervatten. Naar aanleiding van de uitval op 11 mei 2009 heeft de werkgeefster een arbeidsdeskundige gevraagd te onderzoeken of appellant in staat was om zijn eigen functie te vervullen, of er aanpassingen te treffen waren waardoor de eigen functie geschikt kon worden gemaakt, of er mogelijkheden waren om appellant te begeleiden naar een functie bij de eigen of een andere werkgever, welke ondersteuning hierbij gewenst was en wat de financieringsmogelijkheden waren. De arbeidsdeskundige heeft op 29 september 2009 overleg gevoerd met de bedrijfsarts en op 14 oktober 2009 heeft hij appellant gesproken en een bezoek gebracht aan de werkgeefster. De arbeidsdeskundige heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 3 november 2009. Daarin is geconcludeerd dat appellant niet in staat was zijn eigen functie te vervullen en dat er geen mogelijkheden waren om de eigen functie aan te passen, noch tot herplaatsing bij de eigen werkgever. Geadviseerd is om een extern re-integratietraject op te starten (tweede spoor).

4.3.

Gezien dit advies kan de werkgeefster niet worden tegengeworpen dat zij reeds tijdens het eerste ziektejaar is overgegaan tot het inzetten van het tweede spoor en de mogelijkheden tot re-integratie bij haar onvoldoende heeft onderzocht.

4.4.

Over de wijze waarop het tweede spoor is ingezet heeft appellant in hoger beroep geen gronden aangevoerd. Voor zover appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde grieven in hoger beroep heeft gehandhaafd wordt verwezen naar wat de rechtbank daarover heeft overwogen. Het oordeel en de overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en B.M. van Dun

en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

JvC