Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
12-6766 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om diverse voorzieningen, rolstoel, scootmobiel en bouwkundige aanpassingen in de woning. Het betoog van appellante dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 ten onrechte heeft overwogen dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat appellante lijdt aan COPD, hartproblemen, fibromyalgie, ischias en een luie darm slaagt niet. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zij aan de genoemde aandoeningen lijdt. Ook de stelling van appellante dat zij niet in staat is om naar Amsterdam te reizen, heeft zij niet met medische stukken onderbouwd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:30
Algemene wet bestuursrecht 8:31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/276
ABkort 2014/265
NJB 2014/1535

Uitspraak

12/6766 WMO, 12/6767 WMO, 12/6768 WMO

Datum uitspraak: 2 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2011 (aangevallen tussenuitspraak) en van 22 november 2012 (aangevallen uitspraak), 10/4702, 10/4703 en 10/4704

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Voor appellante zijn

mr. Pasman en L.G. Vazquez verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.F. Widdershoven.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft bij het college op 16 november 2009 een aanvraag om diverse voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend.

1.2.

Het college heeft bij drie besluiten van 18 februari 2010, voor zover van belang, de aanvraag afgewezen en geweigerd appellante op grond van de Wmo voor een rolstoel, een scootmobiel en bouwkundige aanpassingen in haar woning in aanmerking te brengen.

1.3.

Bij drie besluiten van 23 november 2010 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 18 februari 2010 ongegrond verklaard onder verwijzing naar twee medische adviezen van 9 februari 2010 en 13 juli 2010. Uit deze adviezen is het college onder andere het volgende gebleken. Appellante is bekend met knieklachten en een niet objectiveerbaar ziektebeeld van het houding- en bewegingsapparaat. Zij wordt met haar aandoening in staat geacht meer dan 800 meter te kunnen lopen. Zij kan gebruik maken van het openbaar vervoer en zich per fiets verplaatsen. Gelet op de aard van de beperkingen dient zij zich zoveel mogelijk actief te bewegen. Ook voor de klachten van het houding- en bewegingsapparaat is een actief bewegingspatroon het belangrijkste therapieadvies. Daarnaast is bij appellante een psychiatrische stoornis vastgesteld, waarvoor mogelijk een aanpassing van behandeling naar begeleiding zal plaatsvinden.

1.4.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de adviezen waarop het college de bestreden besluiten heeft gebaseerd ten onrechte niet mede zijn gericht op de vraag of de psychische en/of psychiatrische aandoening(en) van appellante enig verband houden met de door appellante gestelde klachten en of de lichamelijke en psychische dan wel psychiatrische aandoeningen aldus beperkingen in de zin van de Wmo met zich brengen. In het gegeven dat er een stoornis bij appellante is vastgesteld hadden de ingeschakelde deskundigen daartoe, gegeven de onderzoeksplicht van het college, wel aanleiding behoren te zien. De rechtbank heeft verder overwogen dat een aantal lichamelijke aandoeningen waaraan appellante stelt te lijden, namelijk COPD, hartproblemen, fibromyalgie, ischias en een luie darm, onvoldoende uit de stukken blijkt. Wel staat volgens de rechtbank vast dat appellante lijdt aan artrose aan haar knieën en overgewicht. De rechtbank heeft overwogen dat het college ten aanzien van de beperkingen als gevolg van de artrose niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het advies van

9 februari 2010, nu daarin - voor zover het de knieklachten betreft - wordt verwezen naar een advies van 10 februari 2009 uit een voorgaande procedure. Laatstgenoemd advies dateert van bijna twee jaar voor de bestreden besluiten, terwijl het, gelet op de stelling van appellante dat haar knieklachten verergerd zijn, niet denkbeeldig is dat dat advies niet meer actueel is. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het college bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van beperkingen, dient uit te gaan van de persoon van de aanvrager, zodat het college eveneens had moeten beoordelen of de afstand van 800 meter die is genoemd in het rapport van 10 februari 2009 in de concrete situatie van appellante wel voldoende is om met het openbaar vervoer te kunnen reizen. De rechtbank heeft voorts het betoog van appellante gevolgd dat de bestreden besluiten gelet op artikel 26 van de Wmo onvoldoende zijn gemotiveerd. Het college had behoren te motiveren waarom appellante met het weigeren van voorzieningen voldoende is gecompenseerd, dan wel waarom appellante geen compensatie nodig heeft. De rechtbank heeft uit de voorgaande overwegingen geconcludeerd dat het college de bestreden besluiten op een aantal punten onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft het college met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgedragen de hierboven genoemde gebreken binnen zes weken te herstellen.

1.5.

Na het bericht van 11 januari 2012 van het door het college benaderde adviesbureau dat het een advies nog niet kon afronden, heeft op 16 januari 2012 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen hebben daar ingestemd met de benoeming van een deskundige door de rechtbank. Aangezien het vanwege betrokkenheid van de door de rechtbank benaderde deskundigen bij de behandeling van appellante niet mogelijk bleek één of meer deskundige(n) uit de regio waar appellante woont te benoemen, heeft de rechtbank het Psychiatrisch Expertisecentrum te Amsterdam benaderd voor het instellen van een deskundigenonderzoek.

1.6.

Appellante heeft te kennen gegeven akkoord te gaan met de benoeming van een psychiater en/of reumatoloog van het Psychiatrisch Expertisecentrum tot deskundige, maar heeft daarbij aangegeven dat zij medisch niet in staat is om naar Amsterdam te reizen. Zij heeft de rechtbank verzocht mede te delen of de deskundige bereid is om haar in haar woning te onderzoeken. De rechtbank heeft tijdens een comparitie van partijen op

26 september 2012 medegedeeld dat dit niet mogelijk is en dat er geen andere oplossing is dan dat appellante naar Amsterdam afreist voor onderzoek. Als appellante dat niet doet, zal de rechtbank daaraan de conclusies verbinden die haar gerade voorkomen. Bij brief van

28 september 2012 heeft appellante nogmaals medegedeeld dat zij bereid is mee te werken aan een deskundigenonderzoek, maar dat zij vanwege haar lichamelijke klachten niet in staat is om naar Amsterdam te reizen en dat zij wenst dat het onderzoek in Nijmegen of een locatie dichtbij Nijmegen plaatsvindt. Bij brief van 12 oktober 2012 heeft de rechtbank aan appellante medegedeeld dat aan deze wens geen uitvoering kan worden gegeven. Nu appellante zich niet in Amsterdam door het Psychiatrisch Expertisecentrum liet onderzoeken, heeft de rechtbank geconcludeerd dat het vooronderzoek is afgerond. Vervolgens hebben partijen de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen. Appellante werpt met haar standpunt dat zij niet in staat is om naar Amsterdam af te reizen, zodanige beletselen op, dat haar standpunt wordt uitgelegd als een weigering om mee te werken aan het onderzoek van een door de rechtbank te benoemen deskundige. Uit de door appellante overgelegde stukken kan de rechtbank niet afleiden dat appellante niet in staat is om lange afstanden te reizen. Aangezien appellante niet aan het door de rechtbank voorgestelde onderzoek meewerkt, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan uit te gaan van de beschikbare gegevens. Daaruit volgt kort samengevat dat appellante wel beperkingen heeft maar dat deze appellante niet beletten om huishoudelijke werk te verrichten, zich lokaal te verplaatsen en geen belemmering opleveren bij het normaal gebruik van haar woning.

3.

Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak

4.1.

Het betoog van appellante dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 ten onrechte heeft overwogen dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat appellante lijdt aan COPD, hartproblemen, fibromyalgie, ischias en een luie darm slaagt niet. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zij aan de genoemde aandoeningen lijdt.

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

4.2.

Ingevolge artikel 8:47, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek.

4.3.

Artikel 8:30 van de Awb bepaalt dat partijen verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel 8:31.

4.3.

Artikel 8:31 van de Awb bepaalt voor zover hier van belang dat indien een partij niet voldoet aan de verplichting om mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen.

4.4.

Het betoog van appellante dat zij niet heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek van een door de rechtbank te benoemen deskundige slaagt niet. Appellante heeft de stelling dat zij niet in staat is om naar Amsterdam af te reizen ook in hoger beroep niet onderbouwd met medische stukken. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellante met haar standpunt dat zij niet in staat is om naar Amsterdam af te reizen, zodanige beletselen opwerpt, dat haar standpunt wordt uitgelegd als een weigering om mee te werken aan het onderzoek van een door de rechtbank te benoemen deskundige. Er is geen reden om appellante het niet geven van bedoelde medewerking niet aan te rekenen.

4.5.

Hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd, komt er op neer dat de rechtbank, door uit te gaan van de beschikbare gegevens en de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten, ten onrechte voorbij is gegaan aan de bij de aangevallen tussenuitspraak geconstateerde gebreken. Dit betoog slaagt evenmin. Op grond van artikel 8:31 van de Awb heeft de rechtbank de bevoegdheid om aan de weigering om mee te werken aan een onderzoek van een door de rechtbank te benoemen deskundige alle gevolgen te verbinden die zij passend acht. De rechtbank heeft de twijfel, die haar aanleiding heeft gegeven om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek, in dit geval niet ten voordele van appellante uitgelegd en haar beoordeling uitsluitend gebaseerd op de in het dossier aanwezige medische gegevens. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van

26 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO5408, komt de Raad tot hetzelfde oordeel als waartoe de rechtbank is gekomen. Er is voorts geen aanleiding om de conclusie van de rechtbank zoals vermeld onder 2, laatste volzin, voor onjuist te houden. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten terecht in stand heeft gelaten.

4.6.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat aangevallen uitspraken voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komen.

5.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) I.J. Penning

RB