Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
12-4051 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering PGB. Verantwoordingsverplichting. Uit de door appellant verstrekte verantwoording kan op geen enkele wijze worden opgemaakt welke zorg in welke mate is verleend, waardoor het Zorgkantoor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting heeft kunnen laten prevaleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4051 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 juni 2012, 11/1203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], te [woonplaats] (appellant)

Zorgkantoor Haaglanden (Zorgkantoor )

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Ensing, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014, waar voor appellant is verschenen mr. S. Bulut, kantoorgenoot van mr. Ensing. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Van Hassel.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft het Zorgkantoor aan appellant voor de periode van 8 mei 2009 tot en met 31 december 2009 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 6.589,20 verleend, voor de functie ondersteunende begeleiding algemeen. De toekenning heeft plaatsgevonden in de vorm van een subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze subsidieverlening geeft een voorwaardelijke aanspraak op het hiervoor vermelde bedrag; uitbetaling van dit bedrag heeft plaatsgevonden bij wijze van voorschot. Verder is aan appellant bij dit besluit medegedeeld welke verplichtingen zijn verbonden aan de besteding van het pgb, waaronder de verplichting dat het pgb alleen gebruikt mag worden voor de inkoop van AWBZ-zorg voor de geïndiceerde functie.

1.2.

Bij brief van 8 januari 2010 heeft het Zorgkantoor appellant verzocht een verantwoordingsformulier voor het pgb in te vullen en te retourneren. Bij brief van 22 februari 2010 heeft het Zorgkantoor ter zake gerappelleerd. Bij brief van 16 maart 2010 heeft het Zorgkantoor appellant een laatste termijn tot 25 maart 2010 gegund om het verantwoordingsformulier ingevuld te retourneren.

1.3.

Bij besluit van 12 mei 2010 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant ingetrokken, onder verwijzing naar de artikelen 2.6.9 en 2.6.12 van de Regeling subsidies AWBZ (Stcrt. 2005, 242, hierna de Regeling). Daarbij is aangegeven dat appellant niet aan de verantwoordingsverplichting heeft voldaan. Tot slot is in dit besluit aangegeven dat appellant van het Zorgkantoor een budgetafrekening zal ontvangen, waaruit het bedrag blijkt dat hij aan het Zorgkantoor moet terugbetalen. In de zogenoemde budgetafrekening van 19 mei 2010 is aangegeven dat appellant een bedrag van € 6.589,20 aan het Zorgkantoor moet terugbetalen.

1.4.

Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt, waarbij hij heeft aangegeven dat hij het verantwoordingsformulier al op 17 maart 2010 ingevuld heeft geretourneerd. Als bijlage heeft appellant een afschrift van het verantwoordingsformulier meegezonden. Op dit formulier is aangegeven dat appellant voor verleende zorg - bestaande uit begeleiding individueel - een bedrag van € 5.151,12 heeft betaald aan Morpheus Adviesbureau.

1.5.

Bij brief van 9 september 2010 heeft het Zorgkantoor appellant verzocht over te leggen de zorgovereenkomst van 2009, rekeningen en/of declaratieformulieren van 2009 en betaalbewijzen van de geleverde zorg. Appellant heeft het zorgcontract met Morpheus Adviesbureau, gedateerd 8 mei 2009, overgelegd. Als bijlage bij het zorgcontract is een weekplan gevoegd, waarin is aangegeven dat op maandag van 13.00 tot 16.00 uur computervaardigheden, Nederlandse taal, post en administratie zijn geagendeerd. Op dinsdag van 9.00 tot 12.00 betreft het “banendag, cv, intensief solliciteren, open sollicitaties, post en administratie” en op vrijdag van 13.00 tot 16.00 “evaluatie/gesprek/postbehandeling, financiën, budgetteren, administratie, planning komende week”. Ook is overgelegd een specificatie geleverde zorg van Morpheus Adviesbureau van 5 oktober 2009, waarin is aangegeven dat voor de geleverde begeleiding (4-6.9 uur per week) in de periode van 8 mei 2009 tot en met 31 december 2009 van appellant het bedrag van € 6.589,20 in ontvangst is genomen.

1.5.

Bij besluit van 22 december 2010 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is het Zorgkantoor niet langer uitgegaan van een intrekking van het aan appellant toegekende pgb. Het bezwaar van appellant is opgevat als te zijn gericht tegen het - als vaststellingsbesluit aangemerkte - besluit van 19 mei 2010. Onder verwijzing naar artikel 2.6.13 van de Regeling heeft het Zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat de besteding van het pgb door appellant niet is verantwoord. Daarbij is verder aangegeven dat de door Morpheus Adviesbureau ten behoeve van appellant verrichte activiteiten, niet vallen onder de functie begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (Bza). Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

2.1.

Bij tussenuitspraak van 7 maart 2012 (11/1203) heeft de rechtbank overwogen dat de gemachtigde van het Zorgkantoor ter zitting heeft toegelicht dat (mogelijk) een - in haar visie - klein deel van de verantwoorde zorg toch onder de functie begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza valt. De rechtbank heeft geoordeeld dat reeds hierom het besluit van 22 december 2010 voor vernietiging in aanmerking komt en het Zorgkantoor bij een nieuw te nemen besluit nader zal moeten motiveren waarom de aangeboden zorg, zoals onder meer opgenomen in het weekplan, niet valt onder de functie begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza.

2.2.

Bij besluit van 26 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaarschrift van appellant opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat de activiteiten in het weekplan, bestaande uit hulp en begeleiding bij de administratie en evaluatie in de thuisomgeving onder de functie begeleiding zoals bedoeld in artikel 6 van het Bza zouden kunnen vallen. Om deze zorg te kunnen goedkeuren moet uit urenoverzichten en declaraties duidelijk zijn voor welke tarieven welke zorg is geleverd. Een groot deel van de door Morpheus Adviesbureau geleverde zorg heeft geen betrekking op AWBZ-zorg. Het gaat daarbij om activiteiten welke gericht zijn op het vinden van werk. In de zorgovereenkomst zijn geen afspraken gemaakt over de inhoud van de zorg. Ook zijn er geen tariefafspraken gemaakt. Hieruit volgt dat de besteding van het pgb niet goed is verantwoord.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank volgt het Zorgkantoor in zijn betoog dat het gedeelte van de geleverde zorg dat onder de functie begeleiding zou kunnen vallen door appellant niet voldoende is verantwoord. De rechtbank betrekt hierbij dat appellant geen inzicht heeft gegeven in het aantal geleverde zorguren, wanneer deze zorguren zijn geleverd en welke zorg in deze uren is geleverd. Er zijn geen declaraties die voldoen aan de in artikel 2.6.9, eerste lid aanhef en onder c, van de Regeling opgenomen voorschriften. De rechtbank is van oordeel dat het Zorgkantoor op grond van het bepaalde in 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd was het persoonsgebonden budget op nihil vast te stellen en over te gaan tot terugvordering van de uitbetaalde voorschotten.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat uit de stukken die hij heeft ingeleverd het aantal door Morpheus Adviesbureau geleverde zorguren kan worden opgemaakt. Voor zover de verantwoording niet geheel volgens de regels is verlopen, is er onvoldoende grond om het budget op nihil vast te stellen en in zijn geheel terug te vorderen. Op basis van een reconstructie is het mogelijk na te gaan in hoeverre het budget wel correct is aangewend voor de geïndiceerde zorg.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.1.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College zorgverzekeringen overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van het tot gelding brengen van een aanspraak op grond van deze wet zelf te voorzien in de zorg die zij behoeven.

4.2.2.

Deze ministeriële regeling is de Regeling. In paragraaf 2.6 van de Regeling zijn bepalingen opgenomen over het persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling wordt bij de verlening van het netto pgb de verzekerde de verplichting opgelegd dat hij het budget uitsluitend gebruikt voor de betaling van zorg, zoals nader bepaald in dat artikelonderdeel. Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling sluit de verzekerde een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener, waarin ten minste de onder 1, 2 en 3 van dat artikelonderdeel nader omschreven afspraken over de termijn van indiening van declaraties en de gegevens die een declaratie moet bevatten zijn opgenomen. Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, zoals dit artikelonderdeel luidde tot 1 januari 2012, bewaart de verzekerde, voor zover hier van belang, de in onderdeel c bedoelde declaraties gedurende zeven jaren en stelt deze, desgevraagd, ter beschikking van het zorgkantoor.

4.2.3.

Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Regeling wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld. Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Ingevolge artikel 4:95, vierde lid, van de Awb kunnen betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom en kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.3.

Het bestreden besluit dient te worden aangemerkt als een vaststellingsbeschikking als bedoeld in 2.6.13, tweede lid, van de Regeling en artikel 4:46 van de Awb. Dit besluit dient tevens te worden aangemerkt als een terugvorderingbesluit als bedoeld in 4:95 van de Awb.

4.4.

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat appellant de besteding van zijn pgb niet heeft verantwoord. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Uit de door appellant overgelegde gegevens kan niet worden opgemaakt welk deel van de Morpheus Adviesbureau geleverde zorg is te herleiden tot begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza. In de ter verantwoording van de besteding van het pgb overgelegde stukken bevindt zich slechts één declaratie van Morpheus Adviesbureau en wel ter hoogte van het volledige aan appellant toegekende pgb. Hieruit volgt dat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd is het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, (CRvB 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om de pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3 p. 74). De Raad kan zich in de gegeven omstandigheden ook verenigen met de door het Zorgkantoor gemaakte belangenafweging. Uit de door appellant verstrekte verantwoording kan op geen enkele wijze worden opgemaakt welke zorg in welke mate is verleend, waardoor het Zorgkantoor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting heeft kunnen laten prevaleren. Door appellant zijn overigens geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering had kunnen overgaan.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) I.J. Penning

RB