Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
11-6415 AW e.v.
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:2957) heeft het college een nieuw besluit genomen. Wervingskosten. Dubbele woonlasten. Bij dit besluit is aan appellant van een bedrag van € 26.917,- toegekend, voor zover passend binnen het maandelijks toe te kennen bedrag aan trekkingsrechten, te vermeerderen met de over de na te betalen bedragen verschuldigde wettelijke rente. Het dagelijks bestuur heeft hiermee het geconstateerde gebrek heeft hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6415 AW, 12/4371 AW, 14/3455 AW

Datum uitspraak: 3 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van

23 september 2011, 10/3117 (aangevallen uitspraak 1) en van 26 juni 2012, 12/401 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Rivierenland te Tiel (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 12 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2957, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 11 februari 2014 een nieuw besluit genomen.

Bij brieven van 24 februari 2014 en 24 maart 2014 heeft mr. J.W.C. van Kleef namens appellant zijn zienswijze over dat besluit naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:108 van de Awb, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak en de aangevallen uitspraken.

2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 11 februari 2014 bepaald dat de wervingskosten, bestaande uit de rentelasten van de hypotheek voor de woning[straatnaam] te [plaatsnaam], ook in de periode na 2010, tot de datum van overdracht van deze woning per 1 februari 2013, worden vergoed, met inbegrip van de rentelasten van de overbruggingshypotheek en de overige woonlasten van de woning in [plaatsnaam]. Deze vergoeding vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in artikel 12, aanhef, van de overeenkomst (tot het maximum van het bedrag van de trekkingsrechten per periode). Dit leidt tot toekenning aan appellant van een bedrag van € 26.917,- voor zover passend binnen het maandelijks toe te kennen bedrag aan trekkingsrechten, te vermeerderen met de over de na te betalen bedragen verschuldigde wettelijke rente.

3.

In zijn zienswijze heeft appellant, kort samengevat, aangevoerd dat op grond van de overeenkomst ook de kosten voor schilderwerk, huur van de garage en meubilair dienen te worden vergoed, aangezien deze kosten zijn gemaakt voor het onderhoud van de woning te [plaatsnaam] en ter bevordering van de verkoopbaarheid van deze woning.

4.

Het besluit van 11 februari 2014 wordt, nu daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, met toepassing van artikel 6:19 van de Awb bij het geding in hoger beroep betrokken.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In zijn tussenuitspraak heeft de Raad een oordeel gegeven over de vraag wat onder wervingskosten als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder j, van de overeenkomst moet worden verstaan. Onder ‘dubbele woonlasten’ moeten worden begrepen de kosten voor de hypotheeklening en de overige woonlasten van de woning te [plaatsnaam], en ook het overbruggingskrediet.

5.2.

Het schilderwerk betreft het reguliere onderhoud van de woning te [plaatsnaam]. De huur van de garage en de kosten voor het meubilair dienden hoofdzakelijk de bevordering van de verkoop van de woning. Een redelijke uitleg van artikel 12, aanhef en onder j, van de overeenkomst brengt mee dat deze kosten niet onder de wervingskosten moeten worden begrepen.

5.3.

Hieruit volgt dat het dagelijks bestuur bij het besluit van 11 februari 2014 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.

5.4.

De Raad komt op grond van wat in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen tot de hierna vermelde beslissing.

6.

In zaak 11/6145 AW, betreffende aangevallen uitspraak 1, bestaat aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op

€ 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. In de overige zaken bestaat voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij de handhaving van de weigering

om de wervingskosten bestaande uit de kosten voor de hypothecaire geldlening vanaf

1 februari 2010 tot aan de verkoop van deze woning, met inbegrip van de kosten voor het

overbruggingskrediet en de overige woonlasten te vergoeden, in stand is gelaten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2010 gegrond en vernietigt dat besluit voor

zover daarbij is geweigerd de wervingskosten bestaande uit de kosten voor de hypothecaire

geldlening vanaf 1 februari 2010 tot aan de verkoop van deze woning, met inbegrip van de

kosten voor het overbruggingskrediet en de overige woonlasten, te vergoeden;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor het overige;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht inzake 11/6145 AW van € 377,- vergoedt;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 2.922,-;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 februari 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2014.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) M. Sahin

HD