Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13-1564 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen. Wijziging ingangsdatum en hoogte van het pensioen. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat bij het bestreden besluit artikel 1 van het Eerste Protocol niet is geschonden. De wijziging van de ingangsdatum en hoogte van het pensioen zijn bij wet voorzien, nu deze direct volgen uit toepassing van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 16, eerste lid, van de AOW. Geen sprake van een situatie waarin afbreuk is gedaan aan de kern van het eigendomsrecht.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/1461
RSV 2015/43
USZ 2014/266 met annotatie van M. van Everdingen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1564 AOW, 13/1565 AOW

Datum uitspraak: 27 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 februari 2013, 12/1384 en 12/2428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Klinkert. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Marijnissen en mr. A. Slovacek.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 26 oktober 2011 heeft appellant een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft de Svb appellant met ingang van april 2012 AOW-pensioen toegekend van € 715,46 bruto per maand. Daarbij is vermeld dat de ingangsdatum van het pensioen door een mogelijke wetswijziging kan verschuiven en het pensioen over de maand april 2012 lager kan uitvallen dan het vermelde bedrag per maand. De wetswijziging was nog niet definitief omdat de Eerste Kamer nog niet akkoord was gegaan.

1.2. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 15 februari 2012 ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 1 maart 2012 is de ingangsdatum van appellants AOW-pensioen gewijzigd van 1 april 2012 naar 29 april 2012 en is het pensioen over april 2012 vastgesteld op € 81,55 bruto.

1.4. Bij besluit van 17 april 2012 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 15 februari 2012 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2011 alsnog niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 17 april 2012 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daarbij is bepaald dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht vergoedt en is de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellant. Het beroep van appellant op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol), heeft de rechtbank verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de wetswijziging niet een legitieme doelstelling nastreeft. Voorts is geoordeeld dat geen sprake is van een onevenwichtige belangenafweging tussen de gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht. Niet kan staande worden gehouden dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie is tussen de gekozen middelen en het doel. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de wetswijziging leidt tot een "individual and excessive burden" voor appellant.

3.

Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de aanpassing van de ingangsdatum van het pensioen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol en dat de wetsbepalingen waarbij de wetswijziging is doorgevoerd, buiten toepassing moeten worden gelaten. De lagere vaststelling van het pensioen over april 2012 is volgens appellant een ongerechtvaardigde inbreuk op een eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol. Appellant heeft gesteld dat sprake is van een eigendomsrecht, omdat hij een gerechtvaardigde verwachting had dat hij met ingang van 1 april 2012 in aanmerking zou komen voor AOW-pensioen. Appellant had vóór de indiening van het wetsvoorstel geen aanleiding te veronderstellen dat de ingangsdatum - die sinds 1957 onveranderd in de AOW staat - zou wijzigen. Voorts is gesteld dat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Volgens appellant heeft hij door het later ingaan van het AOW-pensioen in de maand april 2012 een inkomensverschil van

€ 667,56 bruto. Betoogd is dat appellant geen mogelijkheden heeft om het inkomensverschil te compenseren. Appellant heeft de maatregel niet redelijkerwijs kunnen voorzien en er geen rekening mee hoeven houden. Appellant heeft voorts betoogd dat er geen enkele compensatieregeling getroffen is voor degenen waarvan het vroeg- of VUT-pensioen eindigt op of vóór de eerste dag van de maand waarin zij 65 jaar worden. De minister heeft deze groep op geen enkele manier gecompenseerd voor het inkomensverschil. De latere ingangsdatum is ook niet opgevangen door het Pensioenfonds Metalelektro, waarvan appellant tot 1 april 2012 een vroegpensioen heeft ontvangen. De pensioenfondsen waren niet in staat of bereid het inkomensverschil op korte termijn te repareren.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geding is beperkt tot het gedeelte van de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het besluit van 17 april 2012 ongegrond is verklaard. Op de zitting heeft appellant verklaard dat de beslissingen van de rechtbank over het besluit van 15 februari 2012, waaronder de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van

31 oktober 2011, niet (langer) worden aangevochten.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij het besluit van 17 april 2012 (bestreden besluit) op juiste wijze toepassing is gegeven aan artikel 16, eerste lid, van de AOW, zoals deze bepaling luidt met ingang van 1 april 2012. Beoordeeld dient te worden of artikel 1 van het Eerste Protocol is geschonden doordat de ingangsdatum van het pensioen op 29 april 2012 en het pensioen over april 2012 op € 81,55 bruto per maand is vastgesteld met toepassing van het gewijzigde artikel 16, eerste lid, van de AOW.

4.3.

In de eerste twee volzinnen van artikel 1 van het Eerste Protocol is bepaald dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom (‘possessions’). Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

4.4.

Alvorens te bezien of sprake is van ‘possessions’ en van ontneming van eigendom als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 van het Eerste Protocol zal de Raad beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 1 van het Eerste Protocol voor eigendomsontneming is voldaan. Daarbij dient allereerst te worden beoordeeld of de inbreuk op de bestaande aanspraak bij wet is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de eigendomsontneming een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en ten slotte of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria.

4.5.

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat bij het bestreden besluit artikel 1 van het Eerste Protocol niet is geschonden. De wijziging van de ingangsdatum en hoogte van het pensioen zijn bij wet voorzien, nu deze direct volgen uit toepassing van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 16, eerste lid, van de AOW.

4.6.

Uit de wetgeschiedenis leidt de Raad af dat de wijziging van de ingangsdatum van de AOW als doelstelling heeft een besparing op de overheidsuitgaven te realiseren. Deze doelstelling acht de Raad gerechtvaardigd. Vaste rechtspraak van het EHRM (15 april 2014, 21838/10, Stefanetti e.a.) is dat beperking van de overheidsuitgaven een gerechtvaardigde doelstelling is in het belang van het veiligstellen van het stelsel van sociale zekerheid en het beschermen van de nationale economie, waarbij de staat een ruime beoordelingsmarge heeft om te bepalen wat in het algemeen belang is.

4.7.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is van een redelijke proportionaliteitsrelatie tussen de gekozen middelen en het doel van de maatregel. Weliswaar heeft appellant door wijziging van de ingangsdatum over de maand april 2012 een substantieel lager inkomen genoten dan hij verwachtte. Deze verlaging is echter beperkt gebleven tot het inkomen over één enkele maand. Niet kan worden gezegd dat de wetswijziging in het geval van appellant gevolgen heeft gehad die daarmee niet zijn beoogd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat onder ogen is gezien dat de gevolgen in individuele gevallen verschillen, afhankelijk van het aantal dagen tussen de eerste dag van de maand waarin de betrokkene geboren is en zijn geboortedatum. Ook is tot uitdrukking gebracht dat het aan de (vroeg-)pensioenfondsen wordt overgelaten of compensatiemogelijkheden worden ingezet. Geen sprake is van een situatie waarin afbreuk is gedaan aan de kern van het eigendomsrecht. Voorts is van belang dat de wetswijziging alle rechthebbenden op

AOW-pensioen treft die vanaf 1 april 2012 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, en niet alleen de vroeggepensioneerden onder hen en dat niet alleen (een deel van) de vroeggepensioneerden maar ook werknemers en particulier verzekerden in beginsel niet gecompenseerd zijn voor het (verwachte) inkomensverlies. In het geval van appellant is geen sprake van een situatie waarin een individu of kleine groep van personen zijn (enige) middel van bestaan (geheel) heeft verloren. De wetswijzing staat niet op zichzelf maar is onderdeel van het beleid van de overheid om de toekomstige pensioenuitgaven in het kader van de AOW te waarborgen, waarbij omvangrijke hervormingen worden doorgevoerd met verstrekkende gevolgen. Niet kan worden gezegd dat de gevolgen van de wetswijzing voor appellant een individuele, onevenredig zware last meebrengen.

4.8.

Nu geconcludeerd wordt dat artikel 1 van het Eerste Protocol niet is geschonden, kan in het midden worden gelaten of sprake is van ‘possessions’ en van ontneming van eigendom als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 van het Eerste Protocol. De Raad merkt hierbij op dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanleiding geeft voor twijfel of in het onderhavige geval sprake zou zijn van ‘possessions’. Enerzijds ziet de Raad gelijkenis met de zaak Bladh, 10 november 2009, 46125/06, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de betrokkene niet geacht kan worden een legitieme verwachting te hebben gehad om een eigendomsrecht te genieten, omdat hij aanvankelijk nog niet voldeed aan de voorwaarden voor een werkloosheidsuitkering en toen hij wel aan de voorwaarde voldeed, de mogelijkheid om onder deze voorwaarde een uitkering te verkrijgen niet langer bestond. Anderzijds is denkbaar dat een eigendomsrecht wordt aangenomen in lijn met de zaak Damjanac,

24 oktober 2013, 52943/10, waarin het Hof - kort weergegeven - heeft geoordeeld dat de verhuizing naar een ander land niet voorzienbaar de aanspraak op onder nationale recht gewaarborgde pensioenrechten te niet kon doen.

4.9.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5.

Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

HD