Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
12-6004 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6004 WWB

Datum uitspraak: 1 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 september 2012, 12/206 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Namens appellant is verschenen mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met zijn broer bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op 26 juli 2011 heeft appellant bijzondere bijstand ingevolge de WWB aangevraagd voor de kosten van aanschaf van een koelkast, een komfoor en een televisie.

1.2.

Bij besluit van 15 september 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 5 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2011 ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat voor duurzame gebruiksgoederen geldt dat appellant deze dient te betalen door vooraf geld te reserveren, dan wel door daarvoor geld te lenen bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA) of door gespreide betaling achteraf. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor appellant geen gebruik kan maken van deze opties.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant meent dat hij er niet op bedacht hoefde te zijn dat de levensduur van de goederen korter was dan gebruikelijk. Bovendien beschikt appellant over onvoldoende middelen om zelf de kosten te voldoen. Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de theoretische uitgangspunten omtrent de mogelijkheid om te sparen of hiervoor voldoende middelen beschikbaar te hebben haaks staan op de praktijk. De praktijk wijst volgens appellant ondubbelzinnig uit dat het onmogelijk is om te sparen of te reserveren. Het afsluiten van een lening bij de GKA of gespreide betaling achteraf is voor appellant geen optie, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat dit gepaard gaat met een torenhoge rentecomponent. Appellant meent dat het college op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid had moeten afwijken, omdat hij onevenredig hard wordt getroffen, indien hij zelf voor de aanschaf van de goederen zorg moet dragen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het hier van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

De kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd, worden volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4769) gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten moeten in beginsel worden bestreden uit het inkomen, ook als dat een inkomen is op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend als de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit het inkomen op bijstandsniveau en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen om van deze vaste rechtspraak af te wijken.

4.3.

De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dat de levensduur van de goederen mogelijk korter was dan mocht worden verwacht, wat hier verder ook van zij, doet er niet aan af dat deze kosten in beginsel uit het inkomen moeten worden bestreden. Indien de vervangingskosten niet vanuit het inkomen kunnen worden opgevangen, nog daargelaten dat deze stelling door appellant niet is onderbouwd, behoort het afsluiten van een lening, bijvoorbeeld bij de GKA, tot de mogelijkheden. Niet is gebleken dat appellant niet voor een dergelijke lening in aanmerking komt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de rente van een lening bij de GKA niet marktconform is, maar lager. Bovendien bestaat nog de mogelijkheid van gespreide betaling achteraf. Dat appellant dit zelf niet als een optie ziet omdat hij geen schulden wil maken en vanwege de rente die verschuldigd is bij gespreide betaling achteraf, doet er niet aan af dat hij van deze financieringsmogelijkheid mogelijk gebruik kan maken.

4.4.

Het standpunt van appellant dat hij onevenredig hard wordt getroffen door het afwijzende besluit omdat hij op grond daarvan de duurzame gebruiksgoederen zelf moet betalen terwijl hij van bijstand moet rondkomen, wordt onder verwijzing naar 4.2 en 4.3 niet onderschreven.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.T.P. Pot

HD