Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
13-4159 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er onvoldoende aanleiding bestond om appellant ook al over de periode van 13 augustus 2012 tot en met 2 oktober 2012 van de sollicitatieverplichting te ontheffen. Appellant en zijn broer hadden weliswaar plannen voor emigratie, maar deze plannen, waar zij al een aantal jaren mee bezig waren, waren toen nog weinig concreet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Participatiewet
Participatiewet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/275

Uitspraak

13/4159 WWB

Datum uitspraak: 1 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2013, 13/720 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Namens appellant is verschenen mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Lo Fo Sang.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving samen met zijn broer [naam broer] bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. In het kader van zijn

re-integratieverplichtingen is appellant diverse keren op gesprek geweest op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen (DWI). Tijdens deze gesprekken heeft appellant meegedeeld dat hij samen met zijn broer emigratieplannen heeft vanwege het starten van een onderneming in India. Op 25 juni 2012 is appellant gestart met een re-integratietraject. Op 13 juli 2012 hebben appellant en zijn broer het college verzocht om ontheffing van de sollicitatieverplichtingen.

1.2.

Bij besluit van 13 augustus 2012 is de broer van appellant voor de periode van

13 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 ontheven van zijn sollicitatieverplichtingen vanwege bijzondere sociale omstandigheden.

1.3.

Bij besluit van 20 augustus 2012 heeft het college de bijstand van appellant voor één maand met 100% verlaagd omdat hij heeft geweigerd om aan zijn trajectverplichtingen te voldoen, zich ernstig heeft misdragen tijdens het gesprek met zijn werkmeester op

13 augustus 2012 en is weggelopen tijdens het verweergesprek op 15 augustus 2012 op het kantoor van DWI. Bij besluit op bezwaar van 24 oktober 2012 heeft het college het besluit van 20 augustus 2012 gehandhaafd. Appellant heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.4.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft het college appellant voor de periode van

3 oktober 2012 tot en met 31 december 2012 ontheven van zijn sollicitatieverplichtingen wegens bijzondere sociale omstandigheden. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld zich bezig te houden met zijn emigratieplannen en het opzetten van zijn onderneming. Tevens is in het besluit vermeld dat appellant niet verplicht is mee te werken aan andere activiteiten om weer aan het werk te komen. Verder heeft het college bepaald dat appellant met ingang van 3 oktober 2012 is vrijgesteld van zijn lopende trajectverplichting.

1.5.

Bij besluit van 2 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen procesbelang meer is bij de beoordeling van de vraag of appellant ook over de periode van 13 augustus 2012 tot 3 oktober 2012 van zijn verplichtingen ontheven had moeten worden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft aangetoond welk belang hij heeft bij een achteraf vastgestelde ontheffing van de sollicitatieverplichting. Daarbij is van belang dat de maatregel niet is opgelegd in verband met het al dan niet voldoen aan de sollicitatieverplichting. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens het missen van bijstand gedurende één maand, hangt volgens de rechtbank samen met de opgelegde maatregel. Appellant had dit moeten aanvoeren in een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar betreffende de maatregel. Appellant heeft met zijn verzoek om schadevergoeding in deze zaak geen procesbelang.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij, net als zijn broer, met ingang van 13 augustus 2012 had moeten worden ontheven van de sollicitatieverplichting. Nu dat niet is gebeurd, heeft appellant deel moeten nemen aan een traject. Het hem verweten gedrag in dat traject waarvoor hem een maatregel is opgelegd kan daarom niet voor rekening van appellant komen. Er is sprake van een causaal verband tussen het uitblijven van de ontheffing per 13 augustus 2012 en het gedrag van appellant tijdens het gesprek met de werkmeester van het traject op 13 augustus 2012. Appellant heeft door het handelen van het college schade geleden, te weten een inkomstenderving ter hoogte van één maand bijstand. Daarin ligt het financiële belang bij deze procedure. Appellant heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade die volgens appellant het gevolg is van het besluit hem met ingang van 3 oktober 2012 in plaats van met ingang van 13 augustus 2012 te ontheffen van de sollicitatieverplichting en vrij te stellen van de trajectverplichting. Nu niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is dat appellant de door hem gestelde schade heeft geleden, heeft appellant reeds hierom procesbelang behouden in de onderhavige zaak. Het enkele feit dat appellant tegen het besluit van 24 oktober 2012 met betrekking tot de hem opgelegde maatregel geen beroep heeft ingesteld en in dat kader niet om schadevergoeding heeft verzocht, betekent niet dat appellant in de onderhavige zaak geen procesbelang meer heeft. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal de zaak niet terugwijzen, maar zelf een oordeel ten gronde geven.

4.2.

Aan het bestreden besluit kleeft hetzelfde gebrek als aan de aangevallen uitspraak. Bovendien heeft appellant het college verzocht om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand. Het college heeft het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een belang bij een beoordeling van het besluit van 8 november 2012. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.3.

Vervolgens moet worden bezien welke gevolgen aan deze conclusie moeten worden verbonden.

4.4.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten over de door appellant bestreden ingangsdatum van de ontheffing van de sollicitatieverplichting in voldoende mate naar voren kunnen brengen, zodat de zaak geen nadere behandeling door het college behoeft. Daarom ziet de Raad aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

4.5.

Appellant heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Verder heeft appellant aangevoerd dat het vanwege zijn plannen om naar India te emigreren en daar een onderneming te starten niet doelmatig was dat hij vanaf 13 augustus 2012 het

re-integratietraject moest blijven volgen.

4.6.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht was geen sprake van gelijke gevallen, reeds omdat appellant, anders dan zijn broer, een re-integratietraject volgde. Het verzoek van appellant om ontheffing vergde daarom een eigen beoordeling, waarbij niet alleen de klantmanager van DWI, maar ook de

re-integratieconsulent van de Dienst Werk en Uitvoering betrokken was.

4.7.

Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er onvoldoende aanleiding bestond om appellant ook al over de periode van 13 augustus 2012 tot en met

2 oktober 2012 van de sollicitatieverplichting te ontheffen. Appellant en zijn broer hadden weliswaar plannen voor emigratie, maar deze plannen, waar zij al een aantal jaren mee bezig waren, waren toen nog weinig concreet. Eerst tijdens een gesprek met de klantmanager op

3 oktober 2012 hebben appellant en zijn broer te kennen gegeven dat hun plannen om te emigreren in een gevorderd stadium waren, dat de Sociale verzekeringsbank de emigratie al in behandeling had genomen en dat zij hun bijstand met ingang van 1 januari 2013 wilden laten beëindigen. De klantmanager heeft zich toen op het standpunt gesteld dat appellant de periode tot 1 januari 2013 goed kon gebruiken om zich voor te bereiden op het vertrek naar India en daarom met ingang van 3 oktober 2012 zou worden ontheven van zijn sollicitatieverplichting en met ingang van die datum tevens zou worden vrijgesteld van zijn trajectverplichting.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7 volgt dat het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2012 ongegrond moet worden verklaard. Voor een vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure is dus geen plaats.

4.9.

Gelet op wat onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.


5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 487,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 januari 2013;

- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2012 ongegrond en bepaalt dat deze

uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 januari 2013;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.T.P. Pot

HD