Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13-2879 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning aanvraag om functieonderhoud. Vaststelling nieuwe functiebeschrijving. Vaststelling ingangsdatum plaatsing op de functie. De korpschef wordt gevolgd in zijn standpunt dat werkzaamheden die appellante tijdens opsporingsonderzoeken verrichtte gedurende de referteperiode niet vallen onder de omschrijving van het begrip ‘coördinatie’. Anders dan appellante heeft betoogd, kunnen de werkzaamheden die rechercheurs in het kader van collegiale samenwerking verrichten ten behoeve van de onderzoeken van de afdeling evenmin worden gebracht onder de omschrijving van het begrip ‘coördinatie’. Nu appellante niet is aangewezen als mentor en er ook geen specifieke opdracht is gegeven om nieuwe collega’s te begeleiden met de daarbij behorende verantwoordelijkheid voor de persoonlijke ontwikkeling van die collega’s, voert het volgens de korpschef te ver om een incidentele collegiale overdracht van kennis en ervaring in praktijksituaties aan te merken als mentorschap. In dit standpunt wordt de korpschef gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2879 AW

Datum uitspraak: 3 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 april 2013, 12/1795 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Noord-Holland Noord (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellante heeft M. Verrips hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door M. Verrips. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.J. Bertelink en mr. A.M.A.C. Theunissen.

OVERWEGINGEN

1.1. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Er is een stelsel van ongeveer 100 organieke functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per organieke functie. Op basis van matching wordt een vertaalslag gemaakt van de oude naar de nieuwe functies, inclusief de bijbehorende waardering. Dit nieuwe stelsel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Invoering van het LFNP geschiedt in twee stappen. De eerste stap is de vaststelling van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar in de periode van 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 (referteperiode). In dit verband worden de uitgangspositie(s) omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de functiebeschrijving(en) en/of de schriftelijk opgedragen werkzaamheden en/of bijzondere situaties (zoals outplacement) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009, zoals vastgelegd in een besluit of in besluiten. Met het oog op het bepalen van de uitgangspositie(s) wordt aan alle ambtenaren een voorgenomen besluit uitgangspositie(s) gezonden. Daarin wordt onder meer gewezen op de mogelijkheid om eenmalig functieonderhoud aan te vragen op de wijze zoals omschreven in artikel 3 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp). Toegekend functieonderhoud is van invloed op de uitgangspositie. De tweede stap is de feitelijke matching van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar met een functie uit het LFNP.

1.2. Appellante is werkzaam bij de groep zeden van de afdeling regionale recherche. Op

19 mei 2011 heeft zij een aanvraag gedaan tot onderhoud van haar functie rechercheur A. Bij deze aanvraag heeft zij onder meer de functiebeschrijving van rechercheur B, een opgave van de werkzaamheden van de zedenrechercheur Noord-Holland Noord en een notitie van

5 april 2011 over de functievergelijking rechercheur zedenzaken gevoegd.

1.3. Bij besluit van 8 december 2011 heeft de korpschef de aanvraag om functieonderhoud afgewezen. Daartegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 juni 2012 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft de korpschef dat bezwaar gegrond verklaard, de aanvraag om functieonderhoud toegekend, een nieuwe functiebeschrijving

‘rechercheur A- zeden’ vastgesteld en op appellante van toepassing verklaard en de ingangsdatum van plaatsing op die functie bepaald op 31 december 2009. De korpschef heeft in de nieuwe functiebeschrijving de taak ‘zaakscoördinatie’ niet opgenomen, omdat in de functie rechercheur A het vervullen van een coördinerende rol in een onderzoek waarbij meerdere medewerkers/rechercheurs werkzaam zijn niet aan de orde is. De taak ‘mentor voor leerling-rechercheurs en stagiaires uit de basispolitiezorg’ is evenmin aan de functiebeschrijving toegevoegd, omdat appellante die taak niet daadwerkelijk verricht; deze taak ligt bij de groepschef, eventueel ondersteund door de rechercheurs B.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De korpschef heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak niet de korpschef, maar de korpsbeheerder als partij heeft aangemerkt. Dit is niet juist, omdat op grond van artikel 5 van de Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012 ten tijde van het doen van de aangevallen uitspraak de korpschef in de plaats was getreden van de korpsbeheerder. De Raad heeft dit gebrek hersteld.

4.2.1.

Op grond van artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijke opgedragen werkzaamheden ten minste één jaar afwijken van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de behandeling van deze aanvraag.

4.2.2.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Trfp maakt de ambtenaar in de aanvraag tot functieonderhoud bedoeld in artikel 6, negende lid, van het Bbp, aannemelijk dat hij gedurende ten minste een jaar op enig moment binnen de referteperiode feitelijk opgedragen werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee de voor hem geldende functiebeschrijving.

4.2.3.

Op grond van 4, aanhef en onder c, van de Trfp wijst het bevoegd gezag de aanvraag om functieonderhoud af indien de feitelijke werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet wezenlijk afwijken van de functie van de ambtenaar en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving.

4.3.1.

Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat in haar functiebeschrijving moet worden vermeld dat zij coördinerende werkzaamheden verricht. Ter zitting bij de Raad heeft zij gesteld dat zij verantwoordelijk is voor het hele opsporingsproces, de zaak van begin tot eind coördineert, termijnen bewaakt en specialisten en collega’s oproept en aanstuurt. Verder heeft appellante betoogd dat de zedenrechercheurs elkaars werk coördineren, omdat zij onderling elkaars werk in de lopende onderzoeken opvangen en de termijnen daarvan bewaken.

4.3.2.

De korpschef heeft ter zitting bij de Raad bevestigd dat appellante in zedenzaken waarin één rechercheur het onderzoek draagt zelfstandig het opsporingsonderzoek verricht, daarbij externe instanties en specialisten betrekt, contacten onderhoudt en haar werkzaamheden afstemt met anderen. Ook is het de taak van de zedenrechercheur om als specialist te bekijken of het verzamelde materiaal deugdelijk is. De korpschef beschouwt dit echter als coördinatie van het eigen onderzoek en niet van andere medewerkers, omdat appellante geen andere zedenrechercheurs in een team aanstuurt.

4.3.3.

Bij het vastleggen van werkzaamheden in een functiebeschrijving werd in het voormalige korps Noord-Holland Noord onder ‘coördinatie’ verstaan: ‘verdeling van werkzaamheden over een groep medewerkers; planning, organisatie en prioritering van de inzet van medewerkers; aansturen van de activiteiten van een groep medewerkers en het bewaken van de kwaliteit van de werkzaamheden en waar nodig bijsturen.’ Appellante heeft de juistheid van deze begripsomschrijving niet betwist en ook de Raad ziet geen aanleiding om deze voor onjuist te houden.

4.3.4.

Daarvan uitgaande wordt de korpschef gevolgd in zijn standpunt dat werkzaamheden die appellante tijdens opsporingsonderzoeken verrichtte gedurende de referteperiode niet vallen onder de in 4.3.3 vermelde omschrijving van het begrip ‘coördinatie’. Anders dan appellante heeft betoogd, kunnen de werkzaamheden die rechercheurs in het kader van collegiale samenwerking verrichten ten behoeve van de onderzoeken van de afdeling evenmin worden gebracht onder de eerdergenoemde omschrijving van het begrip ‘coördinatie’.

4.4.

Appellante heeft voorts betoogd dat zij betrokken was bij het inwerken en begeleiden van stagiaires, leerlingen en nieuwe collega’s en dat deze werkzaamheden afwijken van de functiebeschrijving. Dit heeft volgens appellante in de referteperiode ongeveer tweemaal per jaar plaatsgevonden. De korpschef heeft niet betwist dat appellante onder verantwoordelijkheid van de groepschef nu en dan nieuwe collega’s heeft ingewerkt en dat ook wel eens sprake is geweest van het ‘meelopen’ met appellante door onder meer stagiaires. Nu appellante niet is aangewezen als mentor en er ook geen specifieke opdracht is gegeven om nieuwe collega’s te begeleiden met de daarbij behorende verantwoordelijkheid voor de persoonlijke ontwikkeling van die collega’s, voert het volgens de korpschef te ver om een incidentele collegiale overdracht van kennis en ervaring in praktijksituaties aan te merken als mentorschap. In dit standpunt wordt de korpschef gevolgd.

4.5.

Het competentieverslag dat appellante in beroep in het geding heeft gebracht werpt geen ander licht op de vraag of haar tijdens de referteperiode coördinerende of begeleidende werkzaamheden waren opgedragen. Over dit verslag, dat gedateerd noch ondertekend is, heeft appellante ter zitting meegedeeld dat het een oordeel bevat van haar leidinggevende over de vervulling van haar werkzaamheden en dat die werkzaamheden door een rechercheur B zijn beschreven. Daarom kan uit het competentieverslag niet worden afgeleid of de daarin opgesomde taken feitelijk aan appellante waren opgedragen.

4.6.

In de onder 1.2 genoemde notitie zijn de verschillen beschreven die tussen de voormalige regionale korpsen in de beschrijving en waardering van de functies van zedenrechercheurs bestonden. De inhoud van deze notitie biedt echter geen inzicht in de hier te beantwoorden vraag of de aan appellante feitelijk opgedragen werkzaamheden afdoende zijn beschreven in de voor haar geldende functiebeschrijving.

4.7.

Uit 4.3.1 tot en met 4.6 volgt dat terecht geen aanleiding is gevonden voor een verdergaande aanpassing van de na bezwaar vastgestelde functiebeschrijving

rechercheur A-zeden. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD