Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13-6003 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:8007, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand bij wijze van maatregel. Verwijtbaarheid gedragingen. Periode 1) Geen aanknopingspunten om aan de adviezen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige te twijfelen. Appellant is geschikt om een re-integratietraject te volgen. Periode 2) Appellant heeft een voorlichtingsbijeenkomst over werk in de haven vroegtijdig verlaten, waardoor hij niet heeft deelgenomen aan een rondleiding per bus door de haven. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een overmachtssituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6003 WWB, 13/6004 WWB

Datum uitspraak: 24 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 oktober 2013, 13/3553 en 13/2837 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 12/6176 WWB plaatsgehad op

13 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Calmera. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 7 juli 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op hem zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.

1.2.

In het kader van zijn re-integratie is appellant uitgenodigd om deel te nemen aan het Sollicitatie activeringstraject (SAP). Dit traject heeft ten doel om klanten te activeren tot solliciteren en te bewegen in het vinden van een betaalde baan. Hierbij worden sollicitaties gecontroleerd in frequent geplande gesprekken. Appellant heeft tijdens een gesprek op

8 oktober 2012 geweigerd om het plan van aanpak voor het SAP te ondertekenen.

1.3.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met toepassing van de Maatregelenverordening Vlaardingen 2012 (Verordening 2012) met ingang van 1 november 2012 gedurende een maand met 100% verlaagd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat door te weigeren het plan van aanpak voor het SAP te ondertekenen appellant niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de WWB.

1.4.

Bij besluit van 1 maart 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2012 gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit herzien en bepaald dat aan appellant met ingang van 1 november 2012 een maatregel wordt opgelegd van 75% gedurende een maand. Het college heeft, voor zover van belang, vastgesteld dat binnen een periode van twaalf maanden sprake is van een derde gedraging waarbij appellant de arbeidsinschakeling heeft belemmerd. Het college heeft bij het afstemmen volstaan met een maatregel van 3 x 25% wat neerkomt op een maatregel van 75%.

1.4.

Op 1 november 2012 heeft de gemeente Vlaardingen samen met werkgevers een voorlichtingsbijeenkomst georganiseerd voor werk in de haven. Appellant is voor deze verplichte bijeenkomst aangemeld. Appellant heeft deze voorlichtingsbijeenkomst vroegtijdig verlaten, waardoor hij niet heeft deelgenomen aan een rondleiding per bus door de haven.

1.5.

Bij besluit van 5 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 maart 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met toepassing van de Verordening 2012 met ingang van 1 januari 2013 gedurende een maand met 50% verlaagd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de WWB door de verplichte voorlichtingsbijeenkomst op 1 november 2012 niet tot het eind bij te wonen. Het college heeft vastgesteld dat appellant eerder een maatregel van 100% heeft ontvangen en binnen een periode van twaalf maanden meer dan twee gedragingen heeft vertoond. Het college heeft besloten om geen maatregel van 100% voor twee maanden op te leggen, maar heeft gematigd en de bijstand voor een periode van 1 maand met 50% verlaagd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Verordening 2012 verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de gedragingen die aan de opgelegde maatregelen ten grondslag liggen, op grond van de Verordening 2012 moeten worden gekwalificeerd als gedragingen van de tweede categorie die leiden tot een verlaging van 25% gedurende een maand. Omdat sprake is van herhaalde recidive heeft het college de maatregel individueel bepaald op 75% gedurende de maand november 2012 (bestreden besluit 1) en op 50% gedurende de maand januari 2013 (bestreden besluit 2). Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre de gedragingen appellant kunnen worden verweten.

Bestreden besluit 1

4.2.

Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hem niet kan worden verweten dat hij het opgestelde plan van aanpak niet heeft ondertekend. Dat hij gezien zijn medische klachten niet kon voldoen aan de inhoud daarvan, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft alvorens re-integratieverplichtingen aan appellant op te leggen Salude Deskundige Dienst opdracht gegeven om een medisch en arbeidskundig advies uit te brengen. Verzekeringsarts M.J. Gerritze heeft appellant op 15 maart 2012 onderzocht en advies uitgebracht, waarna arbeidsdeskundige M. Hurks op 12 april 2012 heeft gerapporteerd. Uit de keuring is naar voren gekomen dat de belastbaarheid van appellant enigszins beperkt is ten aanzien van zeer zware, met name erg rugbelastende arbeid. Op grond van de onderzoeksbevindingen was geen reden voor een urenbeperking. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat appellant benutbare mogelijkheden heeft tot het verrichten van arbeid, mits rekening wordt gehouden met zijn belastbaarheid. Appellant werd wel in staat geacht deel te nemen aan een Work Firsttraject dan wel een re-integratietraject. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft verzekeringsarts Gerritze bij het onderzoek ook aandacht besteed aan de knieklachten van appellant. Het door appellant overgelegde rapport van adviserend arts J. Wigman van 6 maart 2013 biedt geen aanknopingspunten om aan de adviezen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige te twijfelen. Wigman is advies gevraagd met een speciaal doel en heeft appellant in verband met de beperkingen aan zijn linkerknie arbeidsongeschikt geacht voor werk in de groenvoorziening. Dit advies doet niet af aan de conclusie van de arbeidsdeskundige dat appellant geschikt moet worden geacht om een re-integratietraject te volgen.

Bestreden besluit 2

4.3.

Appellant heeft ten aanzien van de voorlichtingsbijeenkomst, samengevat, aangevoerd dat gezien de medische objectiveerbare pijnklachten sprake was van een situatie van overmacht. Hij wist niet hoe lang de voorlichtingsbijeenkomst zou duren en dat er nog een rondleiding per bus door de haven gemaakt zou worden. Hij kreeg tijdens de bijeenkomst last van zijn knie en wilde naar huis om zijn medicijnen op te halen. Dit betoog van appellant slaagt evenmin. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een overmachtssituatie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant, indien hij de duur van de bijeenkomst had willen weten in verband met zijn medicatie, daar vooraf bij het college naar had kunnen informeren. Daarbij komt dat appellant heeft verklaard dat hij, omdat hem tijdens de bijeenkomst niet werd toegestaan om naar huis te gaan, een afspraak met de huisarts heeft voorgewend. Dit doet afbreuk aan zijn geloofwaardigheid.

4.4.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het college gehouden was om, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, bij wijze van maatregel de bijstand van appellant te verlagen met ingang van

1 november 2012 gedurende een maand met 75%, respectievelijk met ingang van 1 januari 2013 gedurende een maand met 50% overeenkomstig het bepaalde in de Verordening 2012.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) E. Heemsbergen

HD