Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13-2606 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking bijstand. Autohandel. Ter zitting van de Raad zijn partijen tot overeenstemming gekomen over de intrekking van de bijstand. Afgesproken is dat de intrekking zal worden beperkt tot de maanden waarin betrokkene een voertuig dat zeven maanden of korter op zijn naam heeft gestaan aan derden heeft overgedragen. Dit betekent dat er maanden zijn waarover het college ten onrechte de bijstand heeft ingetrokken. 2) Terugvordering. Dat de interne richtlijn niet is gepubliceerd, betekent niet dat een belanghebbende daaraan geen aanspraak kan ontlenen. De interne richtlijn is weliswaar geen beleidsregel in de zin van de Awb, maar niet in geschil is dat met betrekking tot de toepassing van de interne richtlijn sprake is van een vaste gedragslijn. Geen omstandigheden om af te zien van terugvordering. Bij fraude wordt altijd tot terugvordering overgegaan. Geen terugvordering over de maanden waarover de bijstand ten onrechte is ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/276
NJB 2014/1533
AB 2014/442

Uitspraak

13/2606 WWB, 13/2687 WWB, 13/2688 WWB, 13/2689 WWB

Datum uitspraak: 1 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Almelo van 18 juli 2012, 11/1106 (aangevallen tussenuitspraak 1) en 19 december 2012, 11/1106 (aangevallen tussenuitspraak 2) en van de rechtbank Overijssel van 9 april 2013, 11/1106 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[betrokkene 1] (betrokkene 1) en[betrokkene 2] (betrokkene 2) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkenen heeft mr. P. Gerritsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Betrokkene 1 is verschenen, bijgestaan door mr. Gerritsen, die ook voor betrokkene 2 is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.E. Assink-Meijer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkenen ontvingen vanaf 1 juli 1984 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Uit gegevens van de Dienst Wegverkeer (RWD) is naar voren gekomen dat betrokkene 1 vanaf 2000 tot en met 2009 58 kentekens op zijn naam heeft gehad. Naar aanleiding hiervan hebben het Bureau Handhaving en de Sociale Recherche Twente een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkenen verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in rapportages van 27 augustus 2009, 22 februari 2010, 23 september 2010 en 17 november 2010.

1.3.

Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 19 oktober 2010 de bijstand van betrokkenen ingetrokken over de maanden september en november 1999, februari, april, augustus, september en december 2001, maart, juli, augustus, september en oktober 2002, januari, april, mei, juni, juli, augustus, september en oktober 2003, maart, april, juli, augustus en september 2004, januari, juni, september en oktober 2005, januari, maart, april, mei, juni, augustus en december 2006, februari, april, juni, augustus, november en december 2007, januari, april en juli 2008 en januari 2009. Bij besluit van 11 november 2010 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over die maanden tot een bedrag van € 47.546,82 bruto van betrokkenen teruggevorderd. Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college de bijstand van betrokkenen met ingang van 1 november 2010 verlaagd met 100% gedurende één maand.

1.4.

Bij besluit van 2 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren van betrokkenen tegen de besluiten van 19 oktober 2010 en 11 november 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat betrokkenen in de onder 1.3 vermelde maanden inkomsten uit autohandel hebben ontvangen, waarvan zij in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen opgave hebben gedaan aan het college, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkenen, in de maanden waarin transacties met auto’s hebben plaatsgevonden, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden omdat zij hiervan geen mededeling aan het college hebben gedaan. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over die maanden niet worden vastgesteld. Gelet hierop was het college bevoegd over die maanden het recht op bijstand in te trekken. Daarmee is tevens gegeven dat het college in beginsel bevoegd was de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Het college heeft echter niet gehandeld in overeenstemming met zijn beleid, als neergelegd in de “Interne Richtlijn tbv afzien terugvordering” (interne richtlijn), omdat uit het bestreden besluit niet blijkt of getoetst is of er aanleiding was om van (gedeeltelijke) terugvordering af te zien. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel, zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

2.2.

Bij de aangevallen tussenuitspraak 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat het beleid in de interne richtlijn binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. Door zich op het standpunt te stellen dat bij fraude altijd tot terugvordering wordt overgegaan zonder beoordeling van de overige in het beleid neergelegde aspecten, geeft het college op onjuiste wijze invulling aan de interne richtlijn. Het college heeft het onder 2.1 vermelde gebrek weliswaar bij brief van 16 augustus 2012 hersteld omdat daarin aan de hand van het beleid is getoetst of er aanleiding is om van terugvordering af te zien, maar de motivering van het college waarom dat niet het geval is, is onvoldoende. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om ook dit gebrek te herstellen.

2.3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering en het besluit van 11 november 2010 herroepen. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het college van de in 2.2 vermelde mogelijkheid het gebrek te herstellen geen gebruik heeft gemaakt en hierdoor niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

3.1.

Betrokkenen hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen tussenuitspraak 1 en de aangevallen einduitspraak voor zover het de intrekking betreft.

3.2.

Het college heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen tussenuitspraken en de aangevallen einduitspraak voor zover het betreft het gebruikmaken van de bevoegdheid tot terugvordering.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1.

Ter zitting van de Raad zijn partijen tot overeenstemming gekomen over de intrekking van de bijstand. Afgesproken is dat de intrekking van de bijstand zal worden beperkt tot de maanden waarin betrokkene 1 een voertuig dat zeven maanden of korter op zijn naam heeft gestaan aan derden heeft overgedragen. Dit betekent dat het college de intrekking van de bijstand over de maanden februari 2001, maart en augustus 2002, april en augustus 2004, oktober 2005, mei 2006, februari en juni 2007 en januari 2009 niet langer handhaaft. Met betrekking tot de maand december 2001 merkt de Raad op dat betrokkene 1 in die maand een bedrijfsauto die ongeveer negen maanden op zijn naam heeft gestaan aan derden heeft overgedragen. In die maand heeft hij echter ook een personenauto aan derden overgedragen die korter dan een maand op zijn naam heeft gestaan. Om die reden kan de intrekking van de bijstand over die maand wel stand houden.

De terugvordering

4.2.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB is het college bevoegd de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen over de maanden waarin de bijstand mag worden ingetrokken. Het college heeft voor de wijze waarop het gebruik maakt van deze bevoegdheid beleidsregels vastgesteld. In deze beleidsregels is vastgelegd dat het college op grond van dringende redenen of om redenen van doelmatigheid, geheel of gedeeltelijk kan afzien van terugvordering, invordering of verhaal. Daarnaast kan het college om redenen van redelijkheid of billijkheid of gelet op de persoonlijke situatie van belanghebbende geheel of gedeeltelijk kwijtschelding verlenen.

4.3.

In de interne richtlijn zijn nadere regels vastgelegd over de wijze waarop wordt getoetst of moet worden afgezien van (verdere) terugvordering. Het college kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank de interne richtlijn ten onrechte heeft aangemerkt als vaststaand beleid waaraan rechten kunnen worden ontleend. Dat de interne richtlijn niet is gepubliceerd, betekent niet dat een belanghebbende daaraan geen aanspraak kan ontlenen. De interne richtlijn is weliswaar geen beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, maar niet in geschil is dat met betrekking tot de toepassing van de interne richtlijn sprake is van een vaste gedragslijn. Dat betekent dat het college hieraan gebonden is en dat betrokkenen daar een beroep op kunnen doen. Daarbij geldt, gezien de inhoud van de interne richtlijn en de daarin gebezigde terminologie, dat de daarin neergelegde hoofdlijnen en aandachtspunten niet alleen een richtsnoer bieden over de te volgen handelwijze bij kwijtschelding, maar ook over de te volgen handelwijze bij het nemen van een besluit tot terugvordering als hier aan de orde. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.4.

Het college bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank in de aangevallen tussenuitspraak 2 dat met de brief van 16 augustus 2012 onvoldoende is gemotiveerd waarom het college geen aanleiding ziet om van terugvordering af te zien. Daartoe heeft het college aangevoerd dat overeenkomstig de bij terugvordering gehanteerde beleidsregels is beoordeeld of er op grond van dringende redenen, redenen van doelmatigheid, redenen van redelijkheid of billijkheid of gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, aanleiding bestond om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ofschoon het college van mening is dat toetsing aan de richtlijn pas aan de orde is als de terugvordering een vaststaand feit is en de schuldenaar een schriftelijk verzoek doet tot afzien van de terugvordering, heeft het college in de brief van 16 augustus 2012 niettemin ook aan de hand van de in de interne richtlijn opgenomen uitgangspunten getoetst of de in beroep door betrokkenen aangevoerde gronden aanleiding gaven om van terugvordering af te zien. Dat was echter niet het geval.

4.5.

De beroepsgrond van het college als vermeld in 4.4 treft wel doel. Het college heeft in de brief van 16 augustus 2012 deugdelijk gemotiveerd waarom in de in beroep aangevoerde omstandigheden geen grond is gelegen om af te zien van terugvordering. Dat het college zich nadien op de zitting bij de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat bij fraude altijd tot terugvordering wordt overgegaan en dat met de in de interne richtlijn genoemde aspecten in dat geval geen rekening wordt gehouden, doet niet af aan de in de brief van 16 augustus 2012 opgenomen toetsing aan de in de interne richtlijn opgenomen uitgangspunten. Ter zitting heeft betrokkene 1 benadrukt dat het college niet heeft weerlegd dat zijn uitstroom naar werk door de terugvordering wordt belemmerd. Het college heeft daarover echter terecht opgemerkt dat betrokkene 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de terugvordering niet aan het werk zal komen.

Conclusie

4.6.

Uit 4.1 vloeit voort dat de intrekking over de maanden februari 2001, maart en augustus 2002, april en augustus 2004, oktober 2005, mei 2006, februari en juni 2007 en januari 2009 niet in stand kan blijven. Uit 4.5 vloeit, in samenhang met 4.1, voort dat het college van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen en mogen maken, behoudens met betrekking tot de hiervoor genoemde maanden. Mede omwille van de duidelijkheid, leidt een en ander ertoe dat de aangevallen tussenuitspraken en de aangevallen einduitspraak, behoudens de bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, moeten worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkenen gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de maanden februari 2001, maart en augustus 2002, april en augustus 2004, oktober 2005, mei 2006, februari en juni 2007 en januari 2009 en het besluit van 19 oktober 2010 herroepen voor zover het betreft de intrekking van bijstand over diezelfde maanden. De Raad zal het bestreden besluit geheel vernietigen voor zover het de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand betreft, omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd. Het college zal in zoverre een nieuwe berekening moeten maken. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, wordt afgezien van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - definitieve geschillenbeslechting. De Raad zal het college op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit te nemen.

Proceskosten

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.461,- (1 punt voor hoger beroepschrift, verweerschrift en zitting) voor verleende rechtsbijstand en € 42,60 voor reiskosten, derhalve in totaal € 1.503,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraken en de aangevallen einduitspraak;

- verklaart het beroep van betrokkenen tegen het besluit van 2 september 2011 gegrond en

vernietigt dit besluit, voor zover het de intrekking van de bijstand over de maanden februari

2001, maart en augustus 2002, april en augustus 2004, oktober 2005, mei 2006, februari en

juni 2007 en januari 2009 betreft, alsmede voor zover het de terugvordering als geheel

betreft;

- herroept het besluit van 19 oktober 2010 voor zover het de intrekking van de bijstand over

de maanden februari 2001, maart en augustus 2002, april en augustus 2004, oktober 2005,

mei 2006, februari en juni 2007 en januari 2009 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 2 september 2011

met betrekking tot de intrekking;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 1.503,60;

- bepaalt dat het college aan betrokkenen het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

HD