Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13-3101 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3101 WWB

Datum uitspraak: 1 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2013, 12/5701 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van Baanbrekers (bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het bestuur de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het bestuur tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat.

Namens appellant heeft mr. R. Lessy, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 13/1539 WWB, plaatsgevonden op

20 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lessy. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Schijndel. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 14 augustus 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB. Het bestuur heeft de bijstand met ingang van 19 maart 2012 ingetrokken, omdat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Dit besluit is in het geding 13/1539 WWB in stand gebleven.

1.2.

Op 27 april 2012 heeft C. [naam] ([naam]) zich bij het bestuur als gevolmachtigde van appellant gemeld om namens appellant bijstand aan te vragen. De aanvraag is op

14 mei 2012 ingediend.

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het bestuur een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In het kader daarvan heeft een medewerker handhaving van het bestuur in de periode van 2 mei 2012 tot en met 23 mei 2012 waarnemingen verricht bij de woningen op de adressen van appellant en zijn vriendin, L. [vriendin] ([vriendin]). Appellant is daarna uitgenodigd voor een gesprek op 23 mei 2012. [naam] heeft, als gemachtigde van appellant, het gesprek gevoerd met de medewerker handhaving en een rapporteur. Aan het eind van het gesprek, om circa 15.30 uur, hebben de medewerker en de rapporteur aan [naam] te kennen gegeven aansluitend een huisbezoek te willen afleggen op het adres van appellant. [naam] heeft geweigerd mee te werken aan het huisbezoek.

1.4.

Op grond hiervan heeft het bestuur bij besluit van 12 juni 2012 de aanvraag afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 12 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2012 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat op grond van waarnemingen en het gesprek met [naam] er een gegrond vermoeden bestond dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. [naam] heeft vervolgens geweigerd mee te werken aan het huisbezoek, wat voor risico en verantwoordelijkheid van appellant komt. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand), indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat voor het afleggen van een huisbezoek geen redelijke grond bestond.

4.4.

Uit het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag is naar voren gekomen dat in de periode van 2 mei 2012 tot en met 23 mei 2012 de auto van appellant bij elke waarneming in de vroege ochtend is aangetroffen bij de woning van [vriendin]. Deze waarnemingen lagen in het verlengde van de in de periode van 30 januari 2012 tot en met 2 april 2012 verrichte waarnemingen, waarbij de auto van appellant ook regelmatig in de ochtend is gezien bij de woning van [vriendin]. De waarnemingen waren voor het bestuur aanleiding voor twijfel over het hoofdverblijf van appellant, op grond waarvan appellant werd uitgenodigd voor een gesprek op 23 mei 2012. [naam] heeft namens appellant op 23 mei 2012 een gesprek met twee medewerkers van het bestuur gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft [naam] geen duidelijkheid kunnen geven over de woonsituatie van appellant.

4.5.

Gelet op het voorgaande bestond er voor het bestuur een redelijke grond om in aansluiting op het gesprek een huisbezoek af te leggen. Voor zover [naam] onvoldoende op de hoogte was van de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant en daardoor geen duidelijkheid heeft kunnen geven, zoals appellant heeft gesteld, komt de keuze van appellant om zich te laten vertegenwoordigen voor risico van appellant. Voor het bestuur stonden voorts geen andere effectieve en voor appellant minder ingrijpende middelen dan een huisbezoek ter beschikking om de rechtmatigheid van de door appellant aangevraagde bijstand te onderzoeken en te verifiëren.

4.6.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hem geen verwijt treft dat [naam] niet heeft meegewerkt aan het onmiddellijk af te leggen huisbezoek.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2445) komt in het algemeen groot gewicht toe aan het belang van het bijstandverlenend orgaan om onmiddellijk de door de betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren, gelet op de mogelijkheden om daarin wijzigingen aan te brengen, waardoor dit controlemiddel zijn effectiviteit verliest. Alleen een zeer dringende reden kan een rechtvaardigingsgrond vormen om onmiddellijke uitvoering of voortzetting van een huisbezoek te weigeren (uitspraak van 27 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6239).

4.8.

Vaststaat dat [naam] toestemming heeft geweigerd voor een huisbezoek op het adres van appellant aansluitend aan het gesprek. Uit het rapport van 4 juni 2012 blijkt dat na de afronding van het gesprek op 23 mei 2012 om circa 15:30 uur door de medewerkers van het bestuur aan [naam] is meegedeeld dat zij aansluitend een huisbezoek willen afleggen op het adres van appellant. [naam] heeft daarop aangegeven dat hij hiervoor geen tijd heeft omdat hij eerst privézaken moet regelen en dat hij ook met zijn advocaat wil overleggen. [naam] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om met een advocaat te bellen. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Nadat [naam] er op was gewezen dat niet meewerken aan een huisbezoek tot gevolg kan hebben dat het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld, heeft [naam] volhard in zijn weigering. Om circa 17:00 uur heeft [naam] telefonisch contact opgenomen met de rapporteur en aangegeven dat hij contact heeft gehad met de advocaat en appellant en nu wel wil meewerken aan een huisbezoek. De rapporteur heeft vervolgens geweigerd om alsnog een huisbezoek af te leggen.

4.9.

De door [naam] aangevoerde redenen kunnen niet worden aangemerkt als een zeer dringende reden om een onmiddellijke uitvoering van het huisbezoek te weigeren zoals bedoeld onder 4.7. Niet valt in te zien waarom [naam] niet reeds toen hij daartoe in de gelegenheid werd gesteld, contact had kunnen opnemen met de advocaat en/of appellant. Het feit dat het huisbezoek door de handelwijze van [naam] geen doorgang heeft gevonden is toe te rekenen aan appellant. Hierbij is van belang dat appellant [naam] had gemachtigd om hem in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 31 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI0298) dienen de gevolgen van (processueel) handelen of nalaten van een belangenbehartiger voor rekening te blijven van degene die de behartiging van zijn belangen aan een ander heeft toevertrouwd. Het bestuur heeft appellant dan ook terecht tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 vloeit voort dat het bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van een schending van de op appellant rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De aanvraag om bijstand is daarom terecht afgewezen.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD