Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
12-5464 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering pgb toe te kennen. Vaststaat dat appellante zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van het pgb in 2009 en 2010 opgelegde verplichtingen. Het Zorgkantoor is dan ook bevoegd om toepassing te geven aan de in artikel 2.6.4, vijfde lid, van de Regeling subsidies AWBZ opgenomen weigeringsgrond. Er is geen voldoende vertrouwen dat de verantwoording van het pgb een volgende keer wel op de juiste wijze plaatsvindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5464 AWBZ

Datum uitspraak: 25 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

29 augustus 2012, 12/226 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2014. Appellante is opgeroepen, maar met bericht niet verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.G.M. Bosma.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft in 2009 en 2010 aan appellante een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend in verband met een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functie persoonlijke verzorging. Omdat appellante het gebruik van het toegekende pgb niet volledig heeft verantwoord, heeft het Zorgkantoor bij besluiten van 24 juni 2010 de betaalde voorschotten aan pgb tot een bedrag van in totaal € 14.563,90 van appellante teruggevorderd. Het bezwaar daartegen heeft het Zorgkantoor bij besluit van 11 april 2011 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Zutphen heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.2.

Bij besluit van 7 november 2011 heeft het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.4, derde (lees: vijfde) lid, van de Regeling subsidies AWBZ (Regeling), zoals dit luidde op het moment dat dit besluit werd genomen, geweigerd om appellante een pgb toe te kennen, omdat zij zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van het eerdere pgb opgelegde verplichtingen.

1.3.

Het Zorgkantoor heeft het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2011 bij besluit van 13 januari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellante het teruggevorderde pgb nog niet heeft terugbetaald en dat het risico bestaat dat het toe te kennen pgb zal worden gebruikt om de schuld af te lossen in plaats van de geïndiceerde zorg in te kopen. Verder heeft het Zorgkantoor het standpunt ingenomen dat appellante, gelet op de omstandigheid dat zij eerder niet aan de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft voldaan, kennelijk de deskundigheid, capaciteiten of bekwaamheden mist om aan haar verplichtingen te voldoen. Naast artikel 2.6.4, vijfde lid, van de Regeling heeft het Zorgkantoor artikel 4:35, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Het Zorgkantoor heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante en haar dochter, waar het de financiële verantwoording betreft, niet lijken te beschikken over de capaciteiten en bekwaamheden om aan de subsidieverplichtingen te voldoen. De rechtbank onderschrijft dan ook het oordeel van het Zorgkantoor dat de gegronde vrees bestaat dat appellante wederom niet zal voldoen aan de verplichtingen die het pgb met zich meebrengt dan wel dat het pgb voor andere doeleinden, waaronder het aflossen van de bestaande schuld, dan het inkopen van zorg wordt gebruikt. Het Zorgkantoor heeft het algemene belang om in deze situatie geen pgb toe te kennen in redelijkheid kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante. Appellante heeft haar stelling dat zorg in natura voor haar niet acceptabel is, omdat zij geen andere zorgverleners dan haar dochter en schoonzoon vertrouwt, niet met medische stukken onderbouwd.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij, samengevat, aangevoerd dat haar dochter en schoonzoon prima in staat zijn om een juiste verantwoording af te leggen. Het enkele feit dat het Zorgkantoor nog een vordering heeft op appellante kan niet tot de zware conclusie leiden dat appellante geen aanspraak meer kan maken op een pgb.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 2.6.4, vijfde lid, van de Regeling, zoals ten grondslag gelegd aan het primaire besluit en de beslissing en op bezwaar, bepaalt, voor zover van belang, dat het zorgkantoor verlening van een pgb kan weigeren indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen.

4.1.2. Ingevolge artikel 4:35, eerste lid, van de Awb kan de subsidieverlening in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1494) zijn de in artikel 4:35, eerste lid, van de Awb neergelegde weigeringsgronden aanvullend op de in artikel 2.6.4 van de Regeling opgenomen weigeringsgronden. De Raad zal daarom eerst de beroepsgrond beoordelen die ziet op de toepassing van artikel 2.6.4, vijfde lid, van de Regeling.

4.3.

Vaststaat dat appellante zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van het pgb in 2009 en 2010 opgelegde verplichtingen. Het Zorgkantoor is dan ook bevoegd om toepassing te geven aan de in artikel 2.6.4, vijfde lid, van de Regeling opgenomen weigeringsgrond.

4.4.

In de belangenafweging voor de toepassing van zijn weigeringsbevoegdheid heeft het Zorgkantoor meegewogen dat de gegronde vrees bestaat dat appellante opnieuw niet zal voldoen aan de verplichtingen die het pgb met zich meebrengt. Daarover heeft de gemachtigde van het Zorgkantoor ter zitting van de Raad toegelicht dat bij de verantwoording van het pgb over 2009 en 2010 is gebleken dat zorg was ingekocht die niet mocht worden ingekocht, dat geen bewijsstukken waren overgelegd en dat de zorg niet was gespecificeerd. In het licht hiervan is de Raad met het Zorgkantoor van oordeel dat de in hoger beroep door appellante betrokken, maar niet nader onderbouwde stelling dat haar dochter en schoonzoon prima in staat zijn om een juiste verantwoording af te leggen, niet voldoende vertrouwen biedt dat de verantwoording van het pgb een volgende keer wel op de juiste wijze plaatsvindt. Door, hoewel opgeroepen, niet te verschijnen heeft appellante zichzelf de kans ontnomen ter zitting alsnog een deugdelijke onderbouwing als hiervoor bedoeld te geven.

4.5.

Uit wat in 4.4 is overwogen volgt dat niet kan worden gezegd dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om gebruik te maken van de in artikel 2.6.4, vijfde lid, van de Regeling opgenomen weigeringsgrond.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Wat appellante overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en W.H. Bel en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

RB