Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13-6800 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard, wegens niet verschoonbare overschrijding van de betalingstermijn voor het griffierecht. Ook als de niet tijdige betaling het gevolg is van het handelen van de bewindvoerder, komt dit voor rekening en risico van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6800 WW

Datum uitspraak: 2 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 november 2013, 13/3244 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 21 maart 2013 heeft het Uwv een brief van appellante ontvangen waarin zij bezwaren maakt tegen een aantal besluiten, handelingen en situaties. In reactie op dit bezwaar heeft het Uwv appellante verzocht kenbaar te maken tegen welk besluit appellante bezwaar heeft gemaakt. Appellante heeft niet aan dit verzoek voldaan.

1.2. Bij besluit van 24 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante in het bezwaarschrift niet heeft aangegeven tegen welke besluit zij bezwaar maakt.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit de administratie van de rechtbank niet is gebleken dat appellante het griffierecht binnen de gestelde termijn heeft voldaan. De rechtbank is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft erop gewezen dat zij te maken heeft gekregen met een bewindvoerder, waardoor de betaling van het griffierecht ‘langs mekaar heen is gelopen’. Door toedoen van haar bewindvoerder ontvangt zij geen overschrijvingsboekje meer, zodat appellante geen betalingen meer kan verrichten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.1.

Appellante heeft niet binnen de haar gestelde termijn het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht voldaan. De omstandigheid dat appellante niet in staat was zelf tijdige betalingen te voldoen omdat zij onder bewind zou staan, neemt niet weg dat op haar wel de verplichting rustte zorg te dragen voor een tijdige betaling van het griffierecht.

4.2.2.

Ook als de niet tijdige betaling het gevolg is van het handelen van de bewindvoerder, komt dit voor rekening en risico van appellante. Het is vaste rechtspraak dat wat een vertegenwoordiger van een betrokkene doet of nalaat voor rekening en risico van betrokkene komt (zie bijvoorbeeld CRvB 17 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3296).

4.2.3.

Zoals ter zitting is gebleken, heeft appellante de nota van het griffierecht doorgeleid naar haar bewindvoerder met het doel dat deze de nota zou betalen. Zij heeft verder geen contact meer opgenomen met die bewindvoerder om te vernemen of deze het griffierecht zou gaan betalen of reeds had betaald. Appellante heeft evenmin contact opgenomen met de griffie van de rechtbank over de betaling van het griffierecht. Een nadere toelichting ten aanzien van het achterwege blijven van dergelijk contact is door appellante niet gegeven. Appellante is ook niet verschenen ter zitting van de rechtbank teneinde een toelichting te geven bij de late betaling. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.4.

Dit betekent tevens dat voor een bespreking van de inhoudelijke gronden en bezwaren van appellante geen aanleiding bestaat.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) H.J. Dekker

HD