Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
13-6393 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen uitkering ingevolge de Wet WIA. Zorgvuldig medisch onderzoek. Er is geen sprake van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6393 WIA

Datum uitspraak: 2 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

18 oktober 2013, 11/75 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014.

Namens appellante is verschenen mr. Roethof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij vanaf 30 juli 2010 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij niet arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Het door appellante tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van

14 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is daartoe overwogen dat het ten aanzien van appellante verrichte medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank doelt met name op het door de bezwaarverzekeringsarts geƫntameerde onderzoek dat is verricht door de psychiater dr. S. Russo. Omdat appellante de bevindingen van Russo, zoals neergelegd in zijn rapport van 15 november 2010, bestrijdt, heeft zij ter zitting van de rechtbank een rapport psychologisch onderzoek overgelegd van M. de Jonge, arts i.o. tot psychiater, gedateerd 29 maart 2012. Mede op basis van de reactie van Russo van

21 februari 2013 op de door appellante ingebrachte nadere medische informatie, heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante er niet in is geslaagd twijfel te doen ontstaan aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts dat er op de datum in geding geen sprake was van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij met psychische klachten kampt en dat er meer aan de hand is dan een afwijkende karakterstructuur of persoonlijkheidsstoornis. Zij bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.

3.2.

Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door Russo gestelde diagnose niet juist is.

3.3.

Ten slotte betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij in de overige beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten ziet om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts dat op de datum in geding geen sprake was van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat het medisch onderzoek van appellante voldoende zorgvuldig is geweest. Op grond van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd.

4.3.

Zoals de Raad meermalen in meer algemene zin heeft uitgesproken, biedt het stellen van een diagnose op zichzelf genomen geen toereikende basis voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid in de zin van onder meer de Wet WIA. Doorslaggevend is of er sprake is van door de verzekeringsarts van het Uwv vastgestelde medisch objectiveerbare, uit ziekte of gebreken voortvloeiende, beperkingen in de arbeidsbelasting. In het geval van appellante heeft de verzekeringsarts geen beperkingen aangenomen en om die reden geen Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld. Om dezelfde reden is er geen arbeidskundige ingeschakeld voor het zoeken naar passende functies.

4.4.

De conclusie van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts dat op de datum in geding geen sprake was van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek wordt onderschreven. Aan de ongemotiveerde stelling dat de rechtbank ten onrechte tot deze conclusie is gekomen kan worden voorbijgegaan.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

QH