Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2221

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
12-6218 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van 55 tot 65%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6218 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

10 oktober 2012, 12/1005 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.B.A. Bol hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 17 juni 1998 uitgevallen in zijn werk als [naam functie] vanwege pols- en hielklachten. Na einde wachttijd is aan hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. De mate van appellants arbeidsongeschiktheid is enkele keren herzien. Na een medische en arbeidskundige herbeoordeling is zijn WAO-uitkering met ingang van 1 februari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Op 1 mei 2011 heeft appellant melding gemaakt bij het Uwv van een verslechtering van zijn gezondheid per 20 april 2009 vanwege een operatie aan zijn linkerpols. Naar aanleiding van deze melding is appellant gezien door een verzekeringsarts, die heeft vastgesteld dat sprake is van een toename van de beperkingen van appellant en deze beperkingen heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 juni 2011. Vervolgens heeft onderzoek door een arbeidsdeskundige plaatsgevonden, die in zijn rapport van 19 juli 2011 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 april 2011 (na een wachttijd van 104 weken) heeft berekend op 59,73%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2011 aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 18 april 2011 is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3. Bij besluit van 3 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juli 2011, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit zijn rapporten van een bezwaarverzekeringsarts van 20 oktober 2011 en van een bezwaararbeidsdeskundige van 1 november 2011 ten grondslag gelegd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen (waarbij appellant is aangeduid als eiser):

“2.2. De rechtbank is van oordeel dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van eiser per 18 april 2011.

De rechtbank acht daarbij van belang dat de verzekeringsarts zich heeft gebaseerd op eigen verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 22 juni 2011, op dossieronderzoek en op de verkregen informatie van eisers behandelend orthopedisch chirurg. De bezwaarverzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd, is aanwezig geweest tijdens de hoorzitting en heeft opnieuw informatie ingewonnen bij de orthopedisch chirurg. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van dit onderzoek geconcludeerd dat de visie van de verzekeringsarts omtrent de belastbaarheid per 18 april 2011 correct is.

2.2.1. In de namens eiser overgelegde medische informatie ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de de belastbaarheid van eiser per 18 april 2011, zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Ten aanzien van deze informatie heeft bezwaarverzekeringsarts in de rapportages van 20 juli 2012 en 31 augustus 2012 onder verwijzing naar de brieven van 8 juli 2011 en 18 oktober 2011 van de behandelend orthopedisch chirurg overwogen dat de orthopedisch chirurg heeft vermeld dat eiser is geadviseerd geen zwaar of zwaarder polsbelastende activiteiten uit te voeren. Licht polsbelastende activiteiten zijn mogelijk waarbij rekening gehouden dient te worden met de beperkte functie van zowel de linker- als rechter pols.

Hiermee is volgens de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening gehouden door in de opgestelde FML. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat de orthopedisch chirurg in de brief van 18 oktober 2011 heeft meegedeeld dat er geen behandeling is ingesteld aangaande de heupen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kunnen de heupklachten ten gevolge van lichte slijtage op de datum in geding niet leiden tot de aanname van meer beperkingen, aangezien in de FML in verband met de achillespeesklachten al rekening is gehouden met beperkingen ten aanzien van fysiek zwaar werk, lopen tijdens het werk, trappenlopen, staan en staan tijden het werk. Deze beperkingen passen ook bij meer heupsparende werkzaamheden.

2.2.2 De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek onzorgvuldig te achten, omdat bezwaarverkeringsarts het resultaat van de begin november 2011 in opdracht van de orthopedisch chirurg, gemaakt röntgenfoto’s van eisers heupen niet heeft afgewacht. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts informatie heeft ingewonnen bij de orthopedisch chirurg, die bij brief van 18 oktober 2011 heeft geantwoord. Daarin heeft de orthopedisch chirurg aangegeven dat er op dat moment geen sprak was van behandeling in verband met de heupen. De rechtbank benadrukt dat in dit geding van belang is de gezondheidstoestand van eiser op de datum in geding, namelijk 18 april 2011.”

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat door de bezwaararbeidsdeskundige afdoende is gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant, zoals vastgelegd in de FML, op de in geding zijnde datum.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv meer beperkingen had moeten aannemen en dat zijn belastbaarheid per 18 april 2011 niet correct is ingeschat. Hij is van mening dat zijn standpunt wordt onderbouwd door de in het dossier reeds aanwezige medische informatie en verwijst naar de in beroep aangevoerde gronden.

4.

De Raad oordelend over dat wat tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd, overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 37, eerste lid, van de WAO, vindt terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormen in essentie een herhaling van hetgeen hij in de eerdere fasen van de procedure naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak volledig en afdoende gemotiveerd beoordeeld en in haar overwegingen betrokken. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt niet nader onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. De Raad onderschrijft dat oordeel en de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne.

4.3.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Uit dit oordeel volgt dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade, bestaande uit wettelijke rente, moet worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak,

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

IvR