Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
12-4315 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Beperkingen niet onderschat. Geschikt voor geselecteerde functies, die ook gelet op het voor het vervullen van die functies vereiste opleidingsniveau aan appellant kunnen worden opgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4315 WIA

Datum uitspraak: 2 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

22 juni 2012, 12/257 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 3 april 2014 heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat, de Raad meegedeeld dat de behandeling van het hoger beroep is overgenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 11 mei 2009 heeft hij zich ziek gemeld wegens longklachten, psychische klachten en nek-, rug- en armklachten.

1.2. Bij besluit van 9 juni 2011 heeft het Uwv appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontzegd, omdat appellant op 9 mei 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

16 januari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft gelet op alle voorhanden medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van het onderzoek van het Uwv in twijfel te trekken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant in bezwaar noch in beroep gegevens heeft overgelegd, waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen. De rechtbank heeft het standpunt van een bezwaararbeidsdeskundige, neergelegd in een rapport van 10 januari 2012, onderschreven, dat het opleidingsniveau van appellant gelet op de door hem gevolgde opleiding in het verleden, aangevuld met zijn werkervaring, terecht is vastgesteld op niveau 2.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij op medische en arbeidskundige gronden niet geschikt kan worden geacht om de geduide functies te vervullen. Hij is van mening dat zijn beperkingen niet dan wel onvoldoende zijn verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst en dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant zich wat betreft werk- en denkniveau op opleidingsniveau 2 bevond.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zijn in essentie een herhaling van de gronden in eerste aanleg. De rechtbank heeft deze gronden besproken en gemotiveerd geoordeeld waarom ze niet kunnen slagen. Op goede gronden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat uit het onderzoek van het Uwv naar voren komt dat er geen reden is voor het aannemen van meer beperkingen per 9 mei 2011.

4.2.

De rechtbank wordt voorts gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de geselecteerde functies appellant ook gelet op het voor het vervullen van die functies vereiste opleidingsniveau zouden kunnen worden opgedragen. De overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven.

4.3.

De overwegingen 4.1 en 4.2 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) H.J. Dekker

QH