Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
11-6256 AWBZ-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Indicatiebesluit. 1) Activerende begeleiding. Een gemotiveerde en concrete beoordeling van appellante voor hoeveel uur per week betrokkene in aanvulling op de behandeling op grond van de Zvw is aangewezen op activerende begeleiding ontbreekt. 2) Begeleiding. Appellante heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij heeft volstaan met een indicatie voor begeleiding individueel in klasse zeven. De Raad draagt appellante op de gebreken te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6256 AWBZ-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

10 oktober 2011, 10/1287 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Centrum indicatiestelling zorg (appellante)

[Betrokkene] te [woonplaats](betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.H. Punt-Koopmans, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en [naam H.]. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Punt-Koopmans.

De Raad heeft het onderzoek heropend op de grond dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Partijen hebben wederom nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 9 april 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Maris-Kindt. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. Punt-Koopmans.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

De Raad verwijst voor een beschrijving van de psychiatrische problematiek van betrokkene naar de gedingstukken. Uit de stukken blijkt voorts dat een contra-indicatie bestaat voor opname in een instelling.

1.2.

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft appellante voor betrokkene op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie gesteld voor het Zorgzwaartepakket (ZZP) GGZ05C klasse zeven voor de periode van
8 februari 2008 tot en met 7 februari 2013. Bij beslissing op bezwaar van 5 maart 2009 heeft appellante het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 januari 2010 (09/822) het beroep

tegen het besluit van 5 maart 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellante opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden vastgesteld of het geïndiceerde ZZP voldoende aansluit bij de objectieve zorgbehoefte van betrokkene.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 12 april 2010 (bestreden besluit 1) heeft

appellante het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2008 opnieuw ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 25 januari 2011 (bestreden besluit 2) heeft appellante het

bestreden besluit 1 ingetrokken, het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard en een nieuw indicatiebesluit genomen:

-Verblijf langdurig, klasse zeven, van 8 februari 2008 tot en met 8 februari 2013;

-Persoonlijke verzorging, klasse twee, van 7 februari 2008 tot en met

7 februari 2013;

-Ondersteunende begeleiding in groepsverband, klasse drie, van 8 februari 2008 tot en met
31 december 2008;

-Ondersteunende begeleiding algemeen, klasse acht, van 8 februari 2008 tot en met
31 december 2008;

-Begeleiding groep, klasse drie, van 1 januari 2009 tot en met 7 februari 2013;

-Begeleiding individueel, klasse zeven, van 1 januari 2009 tot en met 7 februari 2013.

Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat er geen aanspraak bestaat op de zorgfunctie (niet-geneeskundige) activerende begeleiding aangezien behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorliggend is. Daarbij heeft appellante zich gebaseerd op het medisch advies van 31 maart 2010 van haar adviserend geneeskundige C. van Putte-Boon. Zij heeft geconcludeerd dat de aard van de activerende begeleiding die betrokkene ontvangt, is gericht op het herstel dan wel voorkoming van verergering van de psychiatrische aandoening en daarmee valt onder geneeskundige activerende begeleiding. Voorts is betrokkene niet als uitbehandeld te beschouwen. Zowel de psychotherapeutische behandeling als de activerende begeleiding kan ambulant plaatsvinden. Volgens de behandelend psychiater van betrokkene zijn er mogelijkheden tot ambulante behandeling bij gekwalificeerde psychotherapeuten. Zowel deze behandeling als de geneeskundige activerende begeleiding valt onder de Zvw.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellante opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat, nu voorheen voor betrokkene een indicatie is gegeven voor (niet-geneeskundige) activerende begeleiding, niet is gebleken dat in haar (medische) situatie een zodanige verandering is opgetreden dat een dergelijke toekenning nu niet (meer) geëigend zou zijn en dat appellante ook nu een indicatie had moeten geven voor (niet-geneeskundige) activerende begeleiding. Ingevolge artikel VI van het Besluit van 1 december 2008, inhoudende wijziging van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) en enige andere besluiten in verband met de wijziging van AWBZ-aanspraken op zorg, dient deze indicatie te worden gegeven tot 1 januari 2010. Na deze datum zal appellante onder toepassing van artikel 6 van het Bza in plaats van de vervallen activerende begeleiding een gelijkwaardige indicatie moeten vaststellen.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het onderscheid tussen geneeskundige en niet-geneeskundige activerende begeleiding onjuist heeft geïnterpreteerd. De door de rechtbank geformuleerde rechtsvraag of appellante op goede gronden heeft geweigerd om een indicatie te geven voor niet-geneeskundige activerende begeleiding, is volgens appellante evident onjuist. Betrokkene heeft immers een indicatie voor begeleiding. Appellante bestrijdt, gelet hierop, ook de overige overwegingen van de aangevallen uitspraak.

4.1.

Appellante heeft geen nieuwe beslissing op bezwaar ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen. Na de zitting van de Raad van 14 november 2012 is het onderzoek heropend. Om tot een volledige beoordeling van het geschil te kunnen komen is betrokkene in de gelegenheid gesteld om concreet aan te geven hoeveel uur zorg, waaronder in het bijzonder activerende begeleiding, in aanvulling op behandeling door de psychiater van betrokkene, noodzakelijk wordt geacht voor betrokkene en - zulks in overleg met die psychiater - welk deel daarvan ten laste van de Zvw kan worden gebracht. Daarna is aan appellante de gelegenheid geboden zich een oordeel te vormen over deze gegevens, mede aan de hand van overleg met de behandelend psychiater van betrokkene met het oog op een te nemen nieuwe beslissing op bezwaar. Appellante is verzocht zich bij het nemen van het nieuwe besluit rekenschap te geven van het overgangsrecht inzake de pakketmaatregel. Voorts is appellante verzocht haar uitleg van het begrip activerende begeleiding per 1 januari 2008, per welke datum de geestelijke gezondheidszorg naar de Zvw is overgebracht, inzichtelijk te maken aan de hand van gangbare interpretatiemethoden en een gemotiveerd standpunt in te nemen over de ruimte die met ingang van die datum bestaat voor niet-curatieve begeleiding van psychiatrische patiënten ten laste van de AWBZ.

4.2.

Betrokkene heeft zich bij brief van 5 december 2012 op het standpunt gesteld dat een indicatie moet worden gegeven die gelijk, dan wel gelijkwaardig is aan het besluit van 7 februari 2007, waarbij een indicatie is aangewezen voor ondersteunende begeleiding in klasse zeven en activerende begeleiding in klasse vier. Voorts heeft betrokkene, in aanvulling op haar verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, verzocht om schadevergoeding ter hoogte van het bedrag (aan pgb) dat haar bij gegrondverklaring van het beroep behoort te worden toegekend.

4.3.

Appellante heeft in deze brief geen aanleiding gezien een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en een brief van 9 januari 2013 ingezonden. Zij heeft in die brief geconcludeerd dat de reeds geïndiceerde zorg, in combinatie met de zorg die vanuit de Zvw moet worden geleverd, als meer dan voldoende kan worden aangemerkt.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Activerende begeleiding

5.1.

Het betoog van appellante dat de rechtbank een onjuiste rechtsvraag heeft geformuleerd, slaagt niet. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, gelet op de aangevoerde beroepsgronden, terecht beoordeeld of appellante op goede gronden heeft geweigerd om een indicatie te geven voor activerende begeleiding. Daaraan doet niet af, zoals appellante heeft aangevoerd, dat betrokkene met ingang van 1 januari 2009 is geïndiceerd voor de functie begeleiding. In dit geding had appellante immers moeten beoordelen of betrokkene met ingang van 8 februari 2008 aangewezen was op een indicatie voor activerende begeleiding.

5.2.

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat appellante een indicatie had moeten geven voor (niet-geneeskundige) activerende begeleiding, slaagt het evenmin. Met ingang van 1 januari 2008 luidde artikel 7 van het Bza: “Activerende begeleiding omvat door een instelling te verlenen activerende activiteiten gericht op het omgaan met de gevolgen van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, waaronder voorkoming van verergering van gedragsproblemen in verband met een zodanige aandoening, beperking of handicap.” In deze bepaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen geneeskundige en niet-geneeskundige activerende begeleiding. De Raad stelt vast dat appellante niet heeft voldaan aan het verzoek van de Raad om een gemotiveerd standpunt in te nemen over de ruimte die op grond van deze bepaling met ingang van 1 januari 2008 bestaat voor niet-curatieve begeleiding van psychiatrische patiënten ten laste van de AWBZ. Een gemotiveerde en concrete beoordeling van appellante voor hoeveel uur per week betrokkene in aanvulling op de behandeling op grond van de Zvw is aangewezen op activerende begeleiding als bedoeld in artikel 7 van het Bza, ontbreekt eveneens.

5.3.

Appellante dient het onder 5.2 vastgestelde gebrek alsnog te herstellen. In dat verband is nog van belang dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat artikel 7 van het Bza van toepassing blijft tot 1 januari 2010 op grond van het in de aangevallen uitspraak genoemde overgangsrecht.

Begeleiding

5.4.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de indicatie voor begeleiding gelijkwaardig dient te zijn aan de voorheen, bij besluit van 7 februari 2007, geïndiceerde activerende begeleiding. De Raad kan betrokkene voorts niet volgen in de stelling in de brief van 5 december 2012 dat appellante een indicatie moet geven die gelijkwaardig is aan de bij besluit van 7 februari 2007 gegeven indicatie voor activerende en ondersteunende begeleiding. De criteria voor een indicatie voor begeleiding zijn immers anders dan de voorheen geldende criteria voor activerende en ondersteunende begeleiding. Zo kan, anders dan voorheen, geen indicatie worden gegeven voor zorg die uitsluitend is gericht op maatschappelijke participatie, nu daarvoor de Wet maatschappelijke ondersteuning de wettelijke voorliggende voorziening is.

5.5.

De Raad moet verder vaststellen dat appellante onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij heeft volstaan met een indicatie voor begeleiding individueel in klasse zeven. Ten onrechte heeft appellante in bestreden besluit 2 daarbij tot uitgangspunt genomen dat een indicatie in die klasse het maximum is. In het Bza kan voor dit standpunt geen steun worden gevonden. Voorts is het op grond van de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ mogelijk om een indicatie voor begeleiding individueel in klasse acht te geven.

5.6.

Appellante dient ook het onder 5.5 vastgestelde gebrek alsnog te herstellen. Daarbij dient appellante aan de hand van een urenverdeling voor de betreffende activiteiten inzichtelijk te maken voor welke indicatie voor begeleiding individueel betrokkene in aanmerking komt.

5.7.

De Raad zal appellante met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opdragen om met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen de hiervoor geconstateerde gebreken binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt appellante op de gebreken binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) Z. Karekezi

NK