Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
13-1480 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand. Appellant was niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1480 WWB

Datum uitspraak: 1 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 februari 2013, 12/9318 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.W. de Water, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Water. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woonde laatstelijk tot 10 februari 2012 bij zijn broer in de gemeente [naam gemeente], waar hij bijstand ontving op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op

1 maart 2012 heeft appellant bij de gemeente [woonplaats] een aanvraag om bijstand op grond van de WWB ingediend. Hij heeft daarbij opgegeven dat hij sinds 10 februari 2012 woont op het adres [Adres A.] in [woonplaats] (opgegeven adres). Appellant heeft zich op dit adres niet kunnen inschrijven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, omdat dit adres een bedrijfspand betreft. Het college heeft hierin aanleiding gezien een onderzoek in te stellen naar de feitelijke woonsituatie van appellant. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 27 maart 2012.

1.2.

In de rapportage van 27 maart 2012 is opgenomen dat op het door appellant opgegeven adres [Naam bedrijf] is gevestigd. De consulent van appellant heeft samen met een collega op 13 maart 2012 een huisbezoek afgelegd. Daarbij hebben zij geconstateerd dat de begane grond en de eerste verdieping in gebruik is bij [Naam bedrijf] en dat zich op de tweede verdieping een kleine kamer bevindt, die door appellant als zijn kamer is aangewezen. In deze kamer stond een kastje met een tv en een uit elkaar gehaald bed. Een matras was niet aanwezig. Evenmin zijn persoonlijke spullen van appellant aangetroffen. Appellant heeft verklaard dat hij zonder matras op de grond slaapt. Verder heeft appellant volgens de rapportage in eerste instantie verklaard in het pand te douchen, maar later heeft hij aangegeven dat hij dit bij zijn broer in [naam gemeente] doet. Tijdens een gesprek op 22 maart 2012 met zijn consulent heeft appellant verklaard dat hij een vriendin heeft waar hij regelmatig verblijft, maar dat hij iedere nacht slaapt op het opgegeven adres. De consulent heeft samen met een sociaal rechercheur geprobeerd om op 26 maart 2012 rond 7.45 uur een onaangekondigd huisbezoek af te leggen, waarbij zij constateerden dat de rolluiken van [Naam bedrijf] gesloten waren. Zij hebben appellant vervolgens telefonisch gevraagd de deur te openen. Appellant heeft volgens de rapportage in eerste instantie gezegd ziek te zijn en de deur niet open te kunnen doen, maar daarna heeft hij verklaard dat hij om vijf uur 's ochtends het pand heeft verlaten om naar een vriend gaan.

1.3.

Bij besluit van 29 maart 2012, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 augustus 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand geweigerd op de grond dat appellant niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, waarbij hij heeft verwezen naar de in bezwaar aangevoerde gronden en de verklaring die is opgemaakt door de verhuurder van zijn kamer op het opgegeven adres. Volgens appellant blijkt daaruit dat hij wel degelijk op het opgegeven adres woonde. Het door het college verrichte onderzoek is niet zorgvuldig geweest.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. Hierbij is van belang dat de betrokkene juiste en volledige informatie over zijn woonadres verstrekt, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2.

De hier ter beoordeling staande periode loopt van 1 maart 2012 (de datum van aanvraag) tot en met 29 maart 2012 (de datum van het afwijzende besluit).

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college zich bij zijn besluitvorming op de rapportage van 27 maart 2012 heeft mogen baseren. Er bestaat geen aanleiding om aan de inhoud van het daarin opgenomen verslag van het onderzoek te twijfelen. Door het ontbreken van een feitelijke slaapplaats en persoonlijke spullen in de door appellant getoonde kamer is niet aannemelijk dat appellant op het opgegeven adres zijn hoofdverblijf had. Appellant heeft gewezen op de bij het bezwaarschrift van 10 april 2012 ingezonden foto’s van de kamer. Hieruit blijkt volgens appellant dat er wel een matras en een dekbed aanwezig was. Uit de rapportage van 27 maart 2012 komt echter naar voren dat bij het huisbezoek op 13 maart 2012 geen matras aanwezig was en dat appellant heeft verklaard op de grond te slapen zonder matras. Aan de foto’s kan geen waarde worden gehecht reeds omdat op die foto’s een datumaanduiding ontbreekt, zodat daaruit niet kan worden opgemaakt wanneer de foto’s zijn gemaakt. De stelling van appellant dat hij geen geld had om de kamer in te richten, verklaart niet het ontbreken van persoonlijke spullen, zoals kleding, toiletartikelen en administratie. Daarbij komt dat appellant tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft hij bij het huisbezoek op 13 maart 2012 eerst verklaard in het pand te douchen, maar wijzigde zijn verklaring toen hij werd geconfronteerd met het feit dat hij geen handdoek kon tonen. Ook in het telefoongesprek op 26 maart 2012 wijzigde hij zijn verklaring over de reden dat hij de deur op het opgegeven adres niet kon openen. Dat sprake is geweest van miscommunicatie omdat appellant de Nederlandse taal niet goed beheerst, is niet aannemelijk gemaakt. De door de verhuurder gegeven verklaring van 4 april 2012 valt buiten de hier te beoordelen periode en zegt niets over het feitelijk verblijf van appellant op het opgegeven adres. Aan de stelling van appellant dat mogelijk onduidelijkheid is ontstaan over het te hanteren huisnummer, namelijk op nummer 4 of nummer 4a, kan worden voorbijgegaan, nu niet in geschil is om welke kamer het gaat en het huisbezoek op de juiste plek is afgelegd.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) E. Heemsbergen

HD