Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2205

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
13-6072 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Verlaging bijstand voor de duur van een maand met 100% Bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 14 december 2012 mondt enkel uit in een verzoek tot opheffing van het aan appellant opgelegde pandverbod ten aanzien van gebouwen van de DWI en het Uwv en niet in een verzoek tot heroverweging van de opgelegde maatregel. 2) Verlaging bijstand met 100% voor de duur van twee maanden. Uit zijn houding en agressief gedrag blijkt ondubbelzinnig dat appellant de verplichtingen die horen bij de bijstandsuitkering niet wil nakomen. Dat het besluit tot oplegging van de maatregel evident onrechtmatig zou zijn omdat appellant voor hetzelfde feitencomplex ook door de politierechter is gestraft met een boete wegens bedreiging van twee medewerkers van de DWI, treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6072 WWB, 13/6073 WWB

Datum uitspraak: 1 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 oktober 2013, 13/1448 en 13/2284 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader en mr. M.H.J. van Geffen, advocaat en kantoorgenoot van

mr. Vetter. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 3 december 2012 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel voor de duur van een maand met 100% verlaagd op de grond dat appellant door zijn (agressieve) gedrag het starten op de voor hem bestemde stageplek heeft belemmerd.

1.2.

Bij besluit van 1 februari 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2013 ingetrokken omdat appellant jonger is dan 27 jaar en uit zijn houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen die horen bij de bijstandsuitkering niet wil nakomen. Het college heeft dit gebaseerd op de beëindiging van het re-integratietraject [traject] door appellant in januari 2013.

1.3.

Bij besluit van 26 februari 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2012 wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Bij besluit van 4 april 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2013 in die zin gegrond verklaard dat de intrekking van de bijstand is vervangen door een maatregel van 100% voor de duur van twee maanden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1

4.1.

De beroepsgrond dat de brief van appellant van 14 december 2012 als bezwaarschrift tegen het besluit van 3 december 2012 had moeten worden aangemerkt is door de rechtbank terecht verworpen en treft ook in hoger beroep geen doel. De brief van 14 december 2012 is gericht aan een medewerker van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) en niet aan het college. Als de brief van 14 december 2012 mede was bedoeld als bezwaarschrift tegen het besluit van 3 december 2012, had het voor de hand gelegen dat appellant deze brief, gelet op de rechtsmiddelverwijzing in het besluit van 3 december 2012, al dan niet met een begeleidend schrijven, aan het college had toegezonden. Dat deze brief het feitencomplex bestrijkt dat ook ten grondslag ligt aan de oplegging van de maatregel is op zich onvoldoende om deze brief als bezwaarschrift tegen de opgelegde maatregel aan te merken. De brief van 14 december 2012 noemt alleen de brief van 30 november 2012 van de DWI tot het opleggen van een pandverbod en rept met geen woord van het besluit van het college van 3 december 2012 of van de opgelegde maatregel. De brief van 14 december 2012 mondt ook enkel uit in een verzoek tot opheffing van het aan appellant opgelegde pandverbod ten aanzien van gebouwen van de DWI en het Uwv en niet in een verzoek tot heroverweging van de opgelegde maatregel.

4.2.

Ook de beroepsgrond dat op het beginsel van de formele rechtskracht een uitzondering dient te worden gemaakt is een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. Deze beroepsgrond is door de rechtbank terecht verworpen. De gemachtigde van appellant heeft de hierbij aansluiting zoekende stelling in hoger beroep, dat de weigering van het college om de evidente onrechtmatigheid van het besluit van 3 december 2012 te erkennen, in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en apert onredelijk is, desgevraagd ter zitting niet met rechtspraak kunnen onderbouwen. Dat het besluit tot oplegging van de hier aan de orde zijnde maatregel evident onrechtmatig zou zijn omdat appellant voor hetzelfde feitencomplex ook door de politierechter is gestraft met een boete wegens bedreiging van twee medewerkers van de DWI, treft overigens geen doel. Artikel 2, vijfde lid, van de Maatregelenverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Amsterdam (verordening) bepaalt dat een maatregel niet wordt opgelegd zolang het Openbaar Ministerie (O.M.) een aangifte van een strafbaar feit onderzoekt dat verband houdt met het niet nakomen van de inlichtingen- of medewerkingsplicht. Voorts schrijft artikel 2, zesde lid, van de verordening voor dat een maatregel definitief achterwege blijft als in verband met de aangifte een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel door het voldoen aan een schikkingsvoorstel van het O.M. het recht op strafvervolging is vervallen. Appellant is echter niet wegens het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen, maar in verband met de bedreiging van twee medewerkers van de DWI strafrechtelijk vervolgd en heeft in verband daarmee een boete opgelegd gekregen. Er is daarom geen sprake van een strafbaar feit of een (vervallen) strafvervolging als bedoeld in artikel 2, vijfde en zesde lid, van de verordening.

Bestreden besluit 2 .

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college met de plaatsing van appellant op het[traject] geen maatwerk heeft geleverd, dat er geen zorgvuldige, op de persoon van appellant toegesneden afweging heeft plaatsgevonden en dat onvoldoende kenbaar is gemaakt waarom deze voorziening voor appellant passend is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de beschikbare stukken en de toelichting van de gemachtigde van het college ter zitting komt naar voren dat appellant vanaf 2008 een veelheid aan opleidings- en werk(ervarings)trajecten met een zeer beperkt resultaat heeft doorlopen. Gelet op de negatieve ervaringen in die trajecten met de houding en het gedrag van appellant was het[traject] een passend traject en, mede gelet op het pandverbod, in feite de laatste optie, zo heeft het college betoogd. Dit traject is speciaal gericht op jongeren die vaker uitvallen uit een traject en problemen hebben met houding en gedrag. Dat in dit traject ook criminele jongeren van de zogeheten top-600 zouden zijn geplaatst, betekent niet dat het om een traject voor uitsluitend criminelen gaat en daarom voor appellant niet passend zou zijn. Dat een psychodiagnostisch onderzoek bij AOB Compaz in 2011 uitwees dat een traject richting WSW voor appellant wellicht het best passend zou zijn, leidt evenmin tot een ander oordeel. Appellant heeft immers uit eigen beweging een traject bij [werkvoorziening] voortijdig verlaten.

4.4.

Ook de stelling van appellant dat de beëindiging van het[traject] hem niet (volledig) kan worden verweten treft geen doel. Dat appellant zich in dit traject onveilig voelde is daarvoor onvoldoende. Appellant heeft weliswaar aangevoerd dat hij de leidinggevende van het[traject] meermaals te kennen heeft gegeven dat hij werd gepest en bedreigd - eenmaal wilde een jongen een stoel op appellant gooien -, doch ook dat deze leidinggevende hen op dit ontoelaatbare gedrag heeft aangesproken. Appellant heeft zijn stelling dat sprake was van een onveilige situatie, zo heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht overwogen, niet aan de hand van concrete gegevens onderbouwd. Ook desgevraagd ter zitting heeft appellant deze stelling niet nader geconcretiseerd. Dat appellant de beëindiging van dit traject gelet op zijn psychische problematiek, niet dan wel niet in overwegende mate kan worden aangerekend, vindt ook geen steun in de beschikbare medische gegevens.

4.5.

De beroepsgrond dat er geen sprake zou zijn van recidive omdat de maatregel, opgelegd bij bestreden besluit 1 niet genomen had mogen worden en daarom onrechtmatig is, slaagt, gelet op wat in 4.2 is overwogen, evenmin.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit brengt mee dat het verzoek van appellant om veroordeling van het college tot vergoeding van schade zal worden afgewezen

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.

` (getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD