Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
13-1167 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand voor de duur van een maand met 20%. Periode 1) Nu appellante om haar moverende redenen geen bezoek aan werkgever A wilde brengen, heeft zij het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmerd. Periode 2) Door de opstelling van appellante is haar sollicitatietraining voortijdig beëindigd, waaruit volgt dat ze onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de door het college aangeboden voorziening gericht arbeidsinschakeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1167 WWB, 13/1168 WWB

Datum uitspraak: 1 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 februari 2013 en 12/9339 en 12/9959 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.S. van Tricht.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft het college aan appellante meegedeeld dat voor haar de arbeidsverplichting van artikel 9 van de WWB geldt. Zij is aangemeld voor een traject bij Werkplan Arbeidsintegratie (Werkplan). Bij het intakegesprek op 17 januari 2012 heeft appellante aangegeven dat zij in Rusland 18 jaar als tandarts werkzaam is geweest en dat zij in Nederland ook weer als tandarts wil werken. Haar opleiding wordt echter in Nederland niet erkend. De door haar in de jaren 2004 tot 2011 gevolgde opleiding tandheelkunde aan de Rijksuniversiteit [naam univdersiteit]heeft zij niet afgemaakt. Geconcludeerd is dat een loopbaanonderzoek ingezet zal worden en dat appellante gemotiveerd zal worden om met ondersteuning van Werkplan actief te gaan solliciteren naar voor haar geschikte banen. Vooralsnog wordt appellante ingeschakeld bij het eigen productiebedrijf van Werkplan, waarbij haar functioneren in een werksituatie wordt beoordeeld.

1.2.

Op 9 februari 2012 heeft een re-integratieconsulent van Werkplan met appellante gesproken over een baan bij [naam werkgever A] in [plaatsnaam]. Het betreft een functie als audicien in opleiding. Tijdens dit gesprek heeft de consulent voorgesteld om een oriënterend bezoek te brengen aan [naam werkgever A], zodat appellante zich een goed beeld kan vormen van de functie. Uit de in het Rapport maatregelen van 29 februari 2012 opgenomen weergave van het gesprek van 9 februari 2012 komt naar voren dat appellante dit heeft geweigerd omdat zij geen opleiding meer wil volgen en zij niet als audicien wil werken maar als tandarts. De consulent heeft appellante erop gewezen dat zij zich ruimer moet opstellen en dat zij niet zomaar een baan mag weigeren. Appellante heeft hierop geantwoord dat zij dit wel degelijk kan omdat zij een jaar de tijd heeft om een baan te vinden. De consulent heeft appellante gewezen op de mogelijke consequenties van het weigeren van een baan.

1.3.

Bij besluit van 29 februari 2012 heeft het college, op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de artikelen 9 en 10 van de Maatregelenverordening WWB van de gemeente Delft, de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2012 voor de duur van een maand verlaagd met 20% op de grond dat appellante het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid heeft belemmerd door te weigeren een oriënterend bezoek te brengen aan [naam werkgever A] in [plaatsnaam].

1.4.

Bij besluit van 18 april 2012 heeft het college op grond van dezelfde bepalingen de bijstand van appellante over de periode van 19 april 2012 tot en met 18 mei 2012 wederom met 20% verlaagd, nu op de grond dat zij niet voldoende heeft meegewerkt aan activiteiten om haar kansen op werk te vergroten. Aan deze verlaging ligt ten grondslag dat appellante zich op 24 februari 2012 tijdens een workshop sollicitatievaardigheden bij Werkplan onacceptabel heeft gedragen, zodat de cursusleidster haar uiteindelijk heeft moeten wegsturen.

1.5.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 22 augustus 2012 (bestreden besluit 1 en 2) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 29 februari 2012 en 18 april 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke wet- en regelgeving verwijst naar de aangevallen uitspraak.

Bestreden besluit 1

4.1.

Appellante heeft bestreden dat zij heeft geweigerd om samen met haar consulent een oriëntatiedag af te spreken om te gaan kijken bij [naam werkgever A] in [plaatsnaam]. Zij heeft op internet onderzoek gedaan naar de functie van audicien, waaruit bleek dat aan de functie een opleiding is verbonden waarvoor kennis van wiskunde is vereist. Zij beschikt niet over kennis van wiskunde op het vereiste niveau en kan zich die ook niet eigen maken. Zij heeft daarom aan de consulent laten weten dat het geen zin heeft om op deze baan te reflecteren. De consulent heeft niet tegen haar gezegd dat zij toch moest gaan kijken bij [naam werkgever A].

4.2.

De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de verslagen van de met appellante gevoerde gesprekken. Uit het Rapport maatregelen van 29 februari 2012 en het Interventierapport van diezelfde datum blijkt geenszins dat appellante tijdens het gesprek op 9 februari 2012 de opleidingseisen voor de functie van audicien ter discussie heeft gesteld. Uit het Interventierapport blijkt ook dat de rapporteur, consulent bij de gemeente Delft, op 22 februari 2012 een gesprek met appellante heeft gevoerd en dat zij toen pas is begonnen over de opleidingseisen voor de functie van audicien. Appellante heeft zich bij dit gesprek wederom op het standpunt gesteld dat ze niet hoeft in te gaan op voorstellen van Werkplan om een baan te accepteren. Hieruit blijkt dat appellante wel degelijk heeft geweigerd om een bezoek aan [naam werkgever A] te brengen. Nog daargelaten of dat oriënterend bezoek tot plaatsing in de functie zou hebben geleid, kon van appellante worden gevergd om aan het bezoek mee te werken. Nu appellante om haar moverende redenen geen bezoek aan [naam werkgever A] wilde brengen, heeft zij het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmerd.

Bestreden besluit 2

4.3.

Appellante heeft betwist dat zij onacceptabel gedrag heeft vertoond tijdens de workshop sollicitatievaardigheden. Zij heeft slechts aan de cursusleidster gevraagd of zij het huiswerk in de vorm van een motivatie voor een sollicitatiebrief gecorrigeerd zou terugkrijgen. Daarop heeft de cursusleidster om voor appellante onbegrijpelijke redenen geïrriteerd gereageerd, waarna een discussie ontstond. Het is niet zo dat appellante een conflict met Werkplan aan de orde bleef stellen, zoals in het besluit van 18 april 2012 wordt vermeld. Het was juist de cursusleidster die ten overstaan van alle overige cursisten verhaal deed over die conflicten.

4.4.

Vaststaat dat de deelname aan de workshop sollicitatievaardigheden voor appellante verplicht was. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van het Interventierapport van 18 april 2012, waarin verslag is gedaan van de gang van zaken op 24 februari 2012. Uit dit rapport blijkt dat appellante tijdens de zesde, tevens laatste, bijeenkomst van de workshop aandacht heeft gevraagd voor een onderwerp dat niet ter bespreking voorlag omdat het toen niet meer ging over sollicitatiebrieven maar over het oefenen van sollicitatiegesprekken. De cursusleidster wilde niet op haar vraag ingaan. Appellante had dit, ook al was zij het daarmee niet eens, op dat moment moeten accepteren. Door hierover tijdens de les een discussie aan te gaan en daarin te volharden, verstoorde zij de voortgang van de cursus. Voorts heeft zij de zaak laten escaleren door niet direct aan het verzoek van de cursusleidster te voldoen om het leslokaal te verlaten. Dit gedrag is haar aan te rekenen. Door de opstelling van appellante is haar training voortijdig beëindigd, waaruit volgt dat ze onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de door het college aangeboden voorziening gericht arbeidsinschakeling.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) E. Heemsbergen

JvC