Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
13-4890 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4890 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

23 juli 2013, 13/496 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.H. Gerdes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. B.P. Brouwer een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Voor appellante is niemand verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 4 januari 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand was tot en met 17 augustus 2006 berekend naar de norm voor gehuwden en vanaf die datum naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 30 maart 2012 heeft het college de bijstand met ingang van 1 juni 2011 ingetrokken wegens toekenning van een pensioenuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Daarbij is, voor zover hier van belang, tevens besloten de bijstand met ingang van 1 januari 2006 te herzien en de vanaf die datum gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.225,60 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gemaakt van het door haar vanaf 1 januari 2006 ontvangen partnerpensioen van het pensioenfonds Metalelektro.

1.2.

Op 12 april 2012 heeft appellante een gesprek gehad met medewerkers van de gemeente Pekela. Daarbij is haar uitleg gegeven over de onder 1.1 bedoelde terugvordering en verzocht om medewerking te verlenen aan een draagkrachtonderzoek. Appellante heeft daartoe de nodige gegevens verstrekt. Bij besluit van 26 april 2012 is de draagkracht vastgesteld op

€ 57,92 per maand. Aan appellante is verzocht dit bedrag met ingang van 1 oktober 2012 maandelijks te voldoen ter aflossing van de vordering. Bij besluit van 16 mei 2012 is het bedrag van € 57,92 alsnog herzien en gewijzigd in € 17,92 per maand.

1.3.

Namens appellante is bij brief van 10 september 2012 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 maart 2012.

1.4.

Bij besluit van 25 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daartoe heeft zij zich in het bijzonder beroepen op uitlatingen van de zijde van ambtelijk medewerkers van de gemeente Pekela.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Vaststaat dat appellante eerst geruime tijd na het verstrijken van deze termijn bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 30 maart 2012.

4.2.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of in dit geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

4.3.

De Raad vat het hoger beroep van appellante aldus op dat zij stelt onjuist te zijn voorgelicht over de mogelijkheden tot het maken van bezwaar, dat zij is afgehouden van het

- tijdig - indienen van een bezwaarschrift en dat bij haar het vertrouwen is gewekt dat ondanks de termijnoverschrijding de zaak toch inhoudelijk zou worden bezien.

4.4.

Vooropgesteld wordt dat het besluit van 30 maart 2012 een bezwaarclausule bevat. Daarnaast behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van een betrokkene, eventueel na overleg met of met behulp van een derde, tijdig bezwaar te maken. In het geval van appellante is dat niet anders. Appellante heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat zij hangende de bezwaarprocedure door onjuiste voorlichting van de zijde van (medewerkers van) het college of anderszins van het tijdig indienen van een bezwaarschrift is afgehouden. De stukken, waaronder met name het verslag van het op 12 april 2012 gehouden gesprek, bieden daarvoor geen aanknopingspunten. Voorts heeft de betreffende ambtelijk medewerker ten stelligste ontkend dat hij tegen appellante heeft gezegd dat het maken van bezwaar geen zin zou hebben en/of dat ook zonder bezwaar nog inhoudelijk naar de herziening en terugvordering zou worden gekeken. Dat appellante buiten staat was tijdig bezwaar te maken is evenmin aannemelijk gemaakt.

4.5.

De kennelijk tijdens de hoorzitting in bezwaar gedane uitlating dat een inhoudelijk oordeel overigens niet tot een voor appellante gunstiger resultaat zou leiden, kan, anders dan appellante meent, niet als een rechtens te honoreren toezegging worden opgevat dat - met voorbijgaan aan de niet verschoonbare termijnoverschrijding - in de beslissing op bezwaar alsnog een inhoudelijk oordeel zou volgen.

4.6.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) E. Heemsbergen

HD