Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
12-6399 WW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WW-uitkering. Verwijbaar werkloos. Onvoldoende onderzoek door het Uwv. Deugdelijke motivering ontbreekt. Niet kan als vaststaand worden aangenomen dat werkgeefster appellante op 14 november 2011 op staande voet heeft ontslagen op grond van de in het bestreden besluit genoemde redenen. Geen grond voor de toepassing van een maatregel op de WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6399 WW-T

Datum uitspraak: 25 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 oktober 2012, 12/3065 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2014. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Namens het Uwv is mr. H.B. Heij verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam in dienst van[B.V.](werkgeefster) als helpende welzijn in de thuiszorg. Op 31 januari 2012 heeft zij bij het Uwv een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op het daartoe strekkende aanvraagformulier heeft appellante vermeld dat de laatste gewerkte dag 13 november 2011 was en dat zij op staande voet was ontslagen. Tevens heeft zij vermeld dat zij het ontslag aanvocht.

1.2. Bij besluit van 9 februari 2012 heeft het Uwv de aanvraag nog niet in behandeling genomen in afwachting van de uitspraak van de rechter over het ontslag. Tevens is bepaald dat appellante geen voorschot krijgt.

2.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 februari 2012. Bij beslissing op bezwaar van 1 juni 2012 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 1 juni 2012. Hangende dat beroep heeft het Uwv op 17 september 2012 een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante genomen (bestreden besluit). Bij het bestreden besluit wordt nu het standpunt ingenomen dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden, omdat aan het ontslag een dringende reden ten grondslag lag die haar kon worden verweten. Volgens het Uwv zijn er meerdere gesprekken tussen appellante en haar leidinggevende gevoerd over het frequent te laat komen op het werk en bij patiënten. Daarnaast zou appellante meerdere malen de gezondheid van patiënten in gevaar hebben gebracht. Er zijn meerdere schriftelijke waarschuwingen aan appellante gegeven en zij heeft een verklaring ondertekend waarin zij beterschap heeft beloofd ten aanzien van haar gedrag. Er zijn nadien echter weer klachten ontvangen waarbij ten gevolge van het gedrag van appellante de gezondheid van meerdere klanten in gevaar is gebracht.

4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, dat ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht was gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar een aantal door het Uwv in beroep ingebrachte stukken het standpunt van het Uwv onderschreven. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat appellante onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef heeft getoond voor de zorg van de klanten, zeker wanneer zij daarop meermalen is gewezen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aanwezig geacht om aan te nemen dat de redenen die werkgeefster achteraf heeft gegeven, destijds niet aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Volgens de rechtbank heeft appellante, tegenover het door het Uwv verrichte onderzoek en de zich in het dossier bevindende stukken van de werkgeefster, de betwisting van de reden van het ontslag onvoldoende onderbouwd.

5.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat het Uwv niet heeft onderzocht of sprake is van een dringende reden. Volgens appellante is sprake geweest van een andere gang van zaken. Zij heeft gewezen op een verstoorde verhouding met haar leidinggevende en een onredelijke houding van werkgeefster ten opzichte van haar. Met name heeft zij benadrukt dat zij op

13 november 2011 gewoon heeft gewerkt. Verder heeft zij een beschrijving gegeven van de manier waarop op 14 november 2011 het ontslag op staande voet zou zijn gegeven.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van de aangevallen uitspraak.

6.2.

In een geval als het onderhavige, waarin een betrokkene een aanvraag om een

WW-uitkering doet en in verband daarmee alle inlichtingen verstrekt die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op de uitkering, en het Uwv de uitkering vervolgens blijvend en geheel weigert in verband met de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, is het aan het Uwv om het bestaan van die dringende reden te bewijzen.

6.3.

Een brief van werkgeefster waarbij appellante op staande voet wordt ontslagen ontbreekt. Eveneens ontbreekt een precieze beschrijving van wat de dringende reden in dit geval inhoudt. Weliswaar was appellante in het verleden gewaarschuwd en was zij gewezen op onder meer de verplichting om op tijd te komen en tijdens het werk bereikbaar te zijn, maar daaruit volgt niet dat appellante op 13 of 14 november 2011 haar eerder verweten gedragingen heeft herhaald. In het dossier bevindt zich een brief van 20 januari 2012 van de advocaat van werkgeefster aan de advocaat van appellante waarin wordt ingegaan op het ontslag, maar deze brief geeft niet weer wat de aan het ontslag ten grondslag liggende dringende reden is. Ook volgt uit deze brief niet wanneer de gedraging heeft plaatsgevonden die aanleiding vormde voor het ontslag op staande voet. Wel blijkt dat die reden is vastgelegd in een notitie van een telefoongesprek op 24 september 2012 van het Uwv met werkgeefster en op 14 november 2011 onverwijld zou zijn meegedeeld. In die telefoonnotitie is er echter sprake van dat zich op 13 november 2011 een incident zou hebben voorgedaan omdat appellante niet op het werk was verschenen en dat dit haar terstond, dus op

13 november 2011, is voorgehouden, evenals de consequentie daarvan, het ontslag op staande voet.

6.4.

Appellante zelf heeft gesteld dat het ontslag mondeling op 14 november 2011 is gegeven en dat daarbij geen reden is opgegeven. Appellante heeft dat reeds op 21 november 2011 schriftelijk onder de aandacht van werkgeefster gebracht, bij welke gelegenheid zij ook de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen. Appellante heeft deze lezing van de gang van zaken consequent volgehouden.

6.5.

Op de brief van appellante van 21 november 2011 heeft de werkgeefster gereageerd met een brief van 24 november 2011. In deze brief wordt gewezen op de eerdere schriftelijke waarschuwingen die appellante heeft gekregen, maar wordt geen beschrijving gegeven van een voorval dat de directe aanleiding zou zijn geweest voor een ontslag op staande voet. Wel volgt uit die brief dat werkgeefster geen aanleiding meer zag om vanaf 14 november 2014 de arbeidsrelatie met appellante voort te zetten. In die brief wordt echter door werkgeefster niet bevestigd dat een ontslag op staande voet is gegeven.

6.6.

Wat de eerdere klachten over het werk betreft, bevindt zich in het dossier een stuk met een overzicht van klachten van verschillende cliënten die door de werkgeefster zijn ontvangen. De beschrijving van die klachten is echter zonder naam van de betrokkenen en zonder plaats of datering van de incidenten zodat daaraan geen onderbouwing is te ontlenen voor een misdraging op 13 november 2011. Ook uit het feit dat appellante in het verleden twee schriftelijke waarschuwingen heeft gekregen - waarvan zij er een heeft

getekend - waarbij haar werd opgedragen zich te houden aan de afspraken, brengt niet mee dat daarmee vaststaat dat een gedraging van appellante op 13 november 2011 moet worden aangemerkt als een dringende reden.

6.7.

Tenslotte wordt er nog op gewezen dat niet duidelijk is wat de inhoud van de werkzaamheden van appellante was. Uit de stukken volgt dat zij was aangesteld in de functie van helpende welzijn, maar dat lijkt niet overeen te komen met de in de stukken genoemde verzorgende taken en het toedienen van medicijnen. Voor een goede beoordeling van de aanwezigheid van een dringende reden is inzicht in de taak en functie van appellante noodzakelijk.

6.8.

Uit hetgeen is overwogen onder 6.3 tot en met 6.7 volgt dat het onderzoek van Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest. Het bestreden besluit wordt niet gedragen door een deugdelijke motivering. Niet kan als vaststaand worden aangenomen dat werkgeefster appellante op 14 november 2011 op staande voet heeft ontslagen op grond van de in het bestreden besluit genoemde redenen. Dat betekent dat evenmin vaststaat dat aan de werkloosheid van appellante een dringende reden ten grondslag ligt. Naar verwachting zal vanwege het verloop van de tijd nader onderzoek niet meer kunnen leiden tot voldoende gegevens voor een draagkrachtige motivering om de uitkering blijvend geheel of gedeeltelijk te weigeren. Dit brengt mee dat er geen grond is voor de toepassing van een maatregel op de WW-uitkering en dat het Uwv de betreffende maatregel dus ten onrechte heeft opgelegd.

6.9.

Aangezien de Raad niet over voldoende gegevens beschikt om het recht, de hoogte en de duur van de WW-uitkering van appellante te bepalen, zal het Uwv worden opgedragen om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het in 6.8 aangeduide gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

JvC